HOME
PROGRAMMA
AGENDA
LINKS



 

KRING VOOR PSYCHOANALYSE VAN DE NEW LACANIAN SCHOOL TEKSTEN: CONTROLE


TEKSTEN

OMTRENT EEN POLITIEK VAN DE CONTROLE IN DE SCHOOL

(Bedenkingen naar aanleiding van de studiedagen van The Diagonal op 12-13 mei te Londen)

L. Vander Vennet

Enige tijd terug werd op nedlijst een Nederlandse vertaling doorgestuurd van het werkdocument van 7 oktober 2000 van het Actiecomité van de Ecole Une omtrent de controle: “Le principe du contrôle dans l’Ecole” (zie nedlijst EEP-D van maandag 23 februari 2001: Het principe van de controle in de School). Zoals u er kon lezen is dit document bedoeld om een politiek debat te lanceren in het hart van de internationale gemeenschap omtrent de controle. De studiedagen van The Diagonal, die plaatsvonden te Londen op 12 en 13 mei, onder de titel “On the practice age geleverd. Deze ontmoeting vond plaats in de voor de geschiedenis van de psychoanalyse niet ongekende Tavistock Clinic, momenteel Tavistock Center geheten, vlakbij het Freud museum. Georganiseerd door de EEP-D in samenwerking met de London Circle vonden er, in een amicale sfeer, een twaalftal interventies plaats met sprekers uit Frankrijk, Israël, Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Uit België sprak Francine Danniau. Een publiek van 80 man uit verschillende landen (Frankrijk, Israël, Groot-Brittannië, USA, Duitsland, Denemarken, Polen, België) zorgde voor geanimeerde discussies. Talrijke korte onderbrekingen lieten een volgehouden concentratie toe. Het is niet onze bedoeling een exhaustief verslag te geven van de verschillende interventies en de daaruit voortvloeiende discussies, dan wel naar aanleiding van het gebeuren zelf enkele bedenkingen te formuleren over belangrijke topics die omtrent dit thema op de voorgrond kwamen te staan.


REGLEMENTERING versus POLITIEK

Een thema dat meermaals aan bod kwam was het onderscheid tussen “hun controle en de onze”1. Verschillende sprekers gaven ons een inzage in de manier waarop controle in andere analytische en psychotherapeutische verenigingen in Engelstalige landen georganiseerd wordt en waarin die van de controle in onze School verschilt. Wat niet altijd zonder verrassende effecten blijkt te zijn voor wie voorheen ervaring met andere opleidingsvormen heeft gehad (vb. Gabriela Vandenhoven over haar orthodoxe vorming in Argentinië: “On the experience of control”).


Een eerste verschil situeert zich in de regulering waaraan de controle onderworpen is versus de deregularisatie van de controle in de School. We hoorden meerdere getuigenissen over de verplichte vormen van controle als onderdeel van een gestandaardiseerd opleidingsprogramma, bij daartoe gekwalificeerde supervisors, soms als voorwaarde voor het kunnen en mogen werken in voorzieningen, met voorgeschreven tijdsduur, alsook volgens vooraf vastgelegde modaliteiten, bijvoorbeeld volgens het principe van de parallel sessies of met het verplicht woord voor woord registreren en voorleggen van de sessies. Uit de interventie van Howard Britton (“From nothing to almost something”) onthouden we dat in Groot-Brittannië supervisie actueel zeer ‘in’ is. Dit blijkt uit de vele publicaties die hieromtrent recent verschijnen waaruit een moraliteit opduikt die de supervisie inschrijft in een professioneel ideaal. Tegenover deze moraliserende regulering staat de ontregeling of de desinstitutionalisering van de controle in de School. Geen statuten, geen verplichting, geen lijsten van geconfirmeerde controleurs… De controle, zo blijkt uit het verhaal van eenieder, wordt veelvuldig toegepast maar zonder reglementering. Tegenover de reglementering staat een politiek van de controle als ethische plicht.


“L’analyste ne s’autorise que de lui-même”2 betekent immers niet dat alles is toegestaan en men zich aan elke vorm van controle door anderen kan onttrekken. Het is niet omdat een standaardcontrole ontbreekt dat ‘elk zijn standaard’ dan de leuze wordt. Lacan stelde immers de controle centraal in de funderende principes van zijn School (zie Acte de Fondation3) als ethische plicht waarin subject en School gedeelde verantwoordelijkheid hebben. Het is een ethische plicht van de School aan de vraag naar controle te voldoen en in de nodige mogelijkheden daartoe te voorzien. Het is anderzijds een ethische plicht voor elkeen die zich inschrijft in de School zich in een taak te engageren die een interne en externe controle impliceert. Tegenover de autoautorisatie staat het onderworpen zijn van elk werk aan kritiek en controle van enkele anderen. Aan de School dus om tegenover de reglementering een politiek te stellen. Een definiëring van een dergelijke politiek m.b.t. de controle is er echter niet, er is daaromtrent weinig gewerkt. Vanwaar de oproep tot debat als preliminair werk voor een preciezere uitwerking ervan. Niet als controle van de controle, wel om te preciseren wat controle precies is, het meest intieme van de ervaring ervan te exploreren en te grijpen wat haar kwalificeert als onderscheiden van andere vormen van psychotherapeutische supervisies. Wie zich in de School engageert wordt opgeroepen hieromtrent getuigenis af te leggen als middel om meer te weten te komen over de modaliteiten van deze praktijk, welke effecten en resultaten zij heeft om de validiteit en efficiëntie ervan te laten opduiken. De interventies die we in Londen hebben gehoord vormden hiertoe alle een verscheiden bijdrage.


TEGENOVERDRACHT versus VERLANGEN VAN DE ANALYTICUS


Een ander punt van verschil betreft het oriënterend principe van de controle. In de Britse traditie berust dit principe op het identificeren en ophelderen van de tegenoverdracht van de analyticus. De interventie van Ian Parker (“Systematic misrecognition in supervision and analysis”) wees op het gevaar dat bestaat hoe andere vormen van supervisie die op dit principe berusten en waaraan men door zijn werkzaamheden in voorzieningen in Engeland verplicht dient deel te nemen, soms ongemerkt de analyse kunnen doorkruisen en beïnvloeden. Overdracht wordt in deze visie klassiek beschouwd als een verstoring of misvatting van de reële relatie tussen analysant en analyticus. De onderliggende idee is dat men een directe toegang zou hebben tot het reële, te lezen als een objectieve realiteit. Therapie zou dus bestaan in een ontmoeting waar een directe communicatie tussen twee individuen mogelijk is, een soort zuivere intersubjectieve relatie met een wederzijds herkennen en begrijpen. Overdracht en tegenoverdracht is wat die directe verhouding in de weg staat en in de controle dus dient opgehelderd (verder is er dan ook sprake van een super-overdracht die dan de tegenoverdracht van de supervisor zou zijn...). Het is een celebratie van het imaginaire als hedendaagse versie van de Two-Body psychologie van Balint. Een gelijkaardige gedachtegang vormt de achtergrond van het ‘containment’ principe waar de supervisor de ervaring van de analysant ervaart via de weg van de identificatie (Alan Rowan, “Supervision not super-vision”).


Beide getuigenissen illustreren hoe een mogelijke doorkruising, via andere vormen van controle, van een dergelijke visie in de analyse, van de psychoanalyse zelf wegvoeren. Een analytische kuur is geen speculaire ontmoeting van twee ikken. (Ruth Golan werkte in haar interventie het thema uit hoe het Ego een obstakel vormt voor zowel de kuur als de controle en elke vorm van verrassing, elke dimensie van het onvoorspelbare en het onbekende afspert: “How to deal with the ego in psychoanalytic praxis and supervision?”)Tegenoverdracht is overdracht van de analyticus die zich onttrekt aan zijn act waarvoor hij in de kuur verantwoordelijk is. Weerstand van de analyticus om als ‘semblant’ de plaats van het object a in te nemen. (Vincent Dachy, “Which outlook to supervision?”) Het is vluchten voor het verlangen van de analyticus dat tegen de identificatie ingaat en een ontmoeting met het reële overheen de identificaties viseert. Controle is een proces van verificatie en rectificatie van de positie van de analyticus in de kuur. Controle laat toe het verlangen van de analyticus, dat op het einde van de kuur is geproduceerd, de plaats van het object in te nemen in de kuur, blijvend te verifiëren en de obstakels die zich hiertegen verzetten op te heffen. In de discussies hieromtrent werd vaak gebruik gemaakt van het onderscheid tussen tactiek, strategie en politiek uit Lacans tekst “La direction de la cure et les principes de son pouvoir”4. Controle viseert niet enkel een aanpassing van de tactiek (interpretatie, zoeken naar technische oplossingen) maar een verificatie van de positie van de analyticus in de overdracht (strategie) en ten aanzien van de logica van de kuur (politiek). Wat geverifieerd wordt is dat de analyticus geen obstakel voor de kuur vormt.


Drie korte maar boeiende interventies gaven een demonstratie van deze verificatie en rectificatie van de positie van de analyticus in de kuur. Frank Rollier (“When supervision is the unexpected”) illustreert hoe, terugdeinzend voor het intrusief Reële in de ontmoeting met een psychotisch subject, het wegglijden uit zijn positie als analyticus naar een meesterdiscours, hem op de plaats stelt van een achtervolgende Ander wat de overdracht doet kantelen in een dodelijke erotomanie. De controle liet een rectificatie van deze positie toe waardoor het psychotisch subject niet langer tot object van genot van de Ander werd gereduceerd. De kuur kon hierdoor de plaats worden van de constructie van een waanmetafoor.


Heather Menzies (“Go with the flow”) op haar beurt getuigt hoe het blijven vasthouden aan een identificatie als obstakel fungeert voor haar positie als analytica in de kuur met een analysante. Met een miskenning van de vele indicaties voor de diagnose van een obsessionele neurose, die als hysterie wordt behandeld, tot gevolg. Een verrassende tussenkomst in de controle liet toe haar positie te wijzigen en bracht een kentering teweeg die echter het voortijdig beëindigen van de kuur niet kon verhinderen. Gabriela Vandenhoven bracht een mooie gevalsstudie met een illustratie van de wijze waarop de controle haar toeliet in de kuur met een psychotisch kind secretaris te zijn van een nieuw symbolisch verhaal.


Deze klinische bijdragen vormden meteen een antwoord op een door Eric Laurent geopperde kritische bedenking5. Een controle geeft aanleiding tot rectificaties in de positie van de analyticus in een gevoerde kuur waaruit een andere benadering van het geval of een kentering kan voortvloeien in de ontwikkeling van de kuur. Wanneer men een gevalsstudie presenteert is dat allemaal terug gladgestreken. Dat veegt meteen de controle en zijn effecten uit. Hij lanceert dan ook een oproep om bij publicaties en presentaties van deze passages en effecten die uit de controle voortvloeien te getuigen. In de verschillende klinische interventies werd dit op een bijzondere heldere wijze uiteengezet.


“MAITRISE” versus “SUPER-AUDITION”

Een controle viseert de verhouding van de psychoanalyticus tot zijn act. In zijn act is de analyticus alleen, hij alleen draagt er de verantwoordelijkheid voor. Er is geen act van de act. Er is geen garantie voor de act. De afwezigheid van een Ander die garant staat laat echter niet om het even wat toe, is geen verontschuldiging voor een luiheid: “L’absence de garantie dans l’Autre, que nous notons A barré, n’implique nul argument paresseux. Ici, comme ailleurs, il faut stratifier.” 6 De kuur, de passe, het onderwijs en de controle zijn evenzoveel namen van deze stratificatie. Evenzoveel modaliteiten van controle voor de afwezigheid van een garantie. Lacan stelde in dit kader voorop dat een kuur niet verhelderd diende te worden om te opereren. Maar hij liet daarbij meteen zijn wantrouwen horen tegenover deze praktijken die zich niet laten verhelderen door de bakens die voortvloeien uit de structuur van het discours dat hen animeert. Het is zijn ongenadige kritiek op de onbekwaamheid van analytici in zijn “Discours à l’Ecole freudienne de Paris’7 waaruit men in het werkdocument van de Ecole Une overigens een gelijklopend citaat heeft overgenomen: “ C’est autre chose que de controler un “cas” : un sujet (je souligne) que son acte dépasse, ce qui n’est rien, mais qui, s’il dépasse son acte, fait l’incapacité que nous voyons fleurir le parterre des psychanalystes.”


Er is dus geen act van de act. Dat impliceert meteen dat a) een act zich niet laat onderwijzen en dat b) een act zich enkel laat verifiëren en controleren. Over deze beide punten en de consequenties die er voor de controle uit voortvloeien werd op de studiedagen te Londen uitvoerig gedebatteerd.


We starten met het eerste punt: een act laat zich niet onderwijzen. Dat impliceert meteen dat een controle dus ook geen vorm van leerproces kan zijn. Geen technische oefening, het aanleren van technieken door een meer ervaren analyticus aan een minder ervaren analyticus, gekaderd in een opleidingsprogramma en zich dus vooral situerend bij de aanvang van een praktijk. In andere psychotherapeutische visies is controle een vorm van ‘maitrise’, een pedagogische overdracht van kennis door een ervaren supervisor, vaak onder de vorm van een soort kant en klare controles voor urgente situaties of het tactisch oplossen van moeilijke problemen8. Howard Britton bracht aan dat recente publicaties meer en meer wijzen op het ontstaan van gespecialiseerde controles voor specifieke problemen of doelgroepen: “ The Social Work Supervisor”; “Skills of Clinical Supervision for Nurses”; “Psychotherapy Supervision”. De functie van supervisor wordt eveneens een specialiteit, als belichaming van een Ander die garant staat en wiens betekenaars men overneemt: “Developing a personal style as a supervisor”. Dergelijke vormen van controle laten geen ruimte meer voor een analytische ervaring van de praktijk van de controle, consistent aan het analytisch discours.


Een analytische controle richt zich eigenlijk op hetzelfde als de analytische kuur, ze viseert met name aan de horizon een onmogelijke te zeggen, een reële. Bij de discussie hieromtrent liet men zich voornamelijk inspireren door enkele uitspraken van Lacan in verband met controle. Op de eerste plaats de suggestie van Lacan om de term ‘supervision’ te vervangen door de term ‘super-audition’. (Suzanne Yang bracht in haar lezing een demonstratie van deze dimensie in de positie die Freud aannam als controleur in de analyse van de Kleine Hans: “Freud as supervisor – the case of Little Hans”.) “Il arrive que je fasse ce qu’on appelle des supervisions. Je ne sais pas pourquoi on a appelé ça supervision. C’est une super-audition.”9 In diezelfde context drukt Lacan zijn verrassing uit dat men, luisterend naar een analyticus in een controle, doorheen datgene wat een analyticus zegt een voorstelling kan hebben van diegene die in analyse is, de analysant. Het is een nieuwe dimensie, zegt Lacan. Een controle laat in de relatie analyticus-analysant een “dit-mension” verschijnen, analoog aan de structuur van de Witz, een ‘dit-mension’ die zich dus laat overdragen losgekoppeld van een concreet subject. In die context wordt over de controle wel eens gesproken in termen van een dubbele boekhouding.


Het aspect van de ‘verrassing’ in de controle werd benaderd vanuit de referentie waar Lacan over de controle in etappes spreekt. In een eerste etappe, stelt hij, brengen analytici ongeveer om het even wat aan en ik stem overal mee in, ze hebben altijd gelijk. Wat niet te verstaan is als zijn instemming om in een analyse om het even wat te doen. Het is een ondersteunen van het aan het werk zetten van de analysanten in de overdracht in functie van een tweede tijd of etappe waarin men in de controle een interventie aanbiedt die analoog is aan de interpretatie in de kuur: “c’est de savoir jouer de l’interprétation comme équivoque qui pourrait libérer le sinthome”.10 Waar analytici in een eerste tijd aanbrengen wat ze weten, gaat het in een volgend moment om het toevoegen van iets wat als het ware in een flits laat opduiken wat overheen de limieten van het weten mogelijk is.


Een controle berust dus niet op een overdragen van een bestaand weten maar viseert aan de hand van het aangebrachte materiaal wat bij verrassing opduikt, het onvoorspelbare wat men ontmoet in de kliniek om er het reële te grijpen, telkens op een andere manier. Het is dus veeleer de creatie van een weten, een uitvinden.


EINDE VAN DE KUUR versus ONEINDIGE CONTROLE

Een analytische act laat zich niet onderwijzen maar laat zich enkel verifiëren. Precies uit de afwezigheid van garantie vloeit de ethische plicht van een noodzakelijk permanente controle voort. Het eigene van een analytische controle ligt in dit permanente karakter in tegenstelling tot de tijdelijke aard ervan in andere therapeutische oriëntaties waar de controle zich vooral situeert in een initieel moment of sporadisch plaatsgrijpt bij de ontmoeting van problemen in urgente situaties. De studiedagen in Londen grepen plaats met op de achtergrond de woorden van Marie-Hélène Brousse waarmee de vorige studiedagen te Parijs werden afgesloten en het thema van de controle voor de volgende studiedagen werd aangekondigd. Ze liet horen zelf permanent in controle te zijn. Een analyse is noodzakelijkerwijze altijd onvolmaakt, er blijft altijd een subject, een residu. Het is wat een permanente controle noodzaakt. Het tegenover elkaar stellen van het eindige karakter van de kuur versus het permanente en oneindige karakter van de controle werd dan ook uitvoerig bediscussieerd. Zelfs de meest ervaren analytici wijken niet voor controle terug11. “Controle is het continu becommentariëren van een analyticus van zijn act” (cfr. Jacques-Alain Miller). De analytische praktijk van de controle is een lang volgehouden, continu proces dat veel tijd vergt in een blijvende verificatie van de positie van de analyticus. Het verlangen van de analyticus, dat op het einde van de kuur verondersteld wordt geproduceerd te zijn, is geen verworven toestand. Het is geen statische notie van de orde van een verworven etiket of het statuut van een professionele titel, waarbij men verder op zijn lauweren kan rusten. 12 De controle als een voortzetting van de analyse met andere middelen (verwijzend naar von Clausewitz: de oorlog als voortzetting van de vrede met andere middelen) was als stelling de inzet van een boeiend debat. Het onderscheid tussen analyse, controle en passe sloot hier bij aan.


Dit was trouwens ook het onderwerp waarmee Jean-Pierre Klotz de studiedagen had ingeleid. Controle is geen kwestie van techniek maar van ethiek. De relatie van de analyticus als subject met de functie die hij inneemt als object in de kuur blijft een probleem doorheen de gehele praktijk en niet alleen bij de aanvang ervan. Die kloof tussen het subject en de plaats die hij als object inneemt is materie voor een permanente controle. De manier waarop een analyticus met deze relatie omgaat, de relatie van het subject in confrontatie met het reële, daarover bestaat geen conformiteit, geen voorgeschreven weg maar slechts verschillende, particuliere modaliteiten die analytici aan collegae ter controle voorleggen. Wat gesuperviseerd wordt is het subject in zijn verhouding tot de psychoanalyse. (“…the gap between the subject and the analyst, the way he manages that relationship is subject of the control…)


De interventie van Rose-Paule Vinciguerra13 (“The purpose of the supervision”) sloot hier onmiddellijk bij aan. Overheen de controle van een concreet geval, overheen de controle van een praktijk viseert een analytische controle een subject. Tegenover de ‘horreur’ voor zijn act van een analyticus staat het noodzakelijk tegengewicht van een permanente controle. In de dagelijkse praktijk telkens geconfronteerd met het radicale tekort in de Ander staat de analyticus alleen. Hoe dupe te zijn van het Reële is een vraag waar geen eensluidend antwoord op is. Overheen de relatie met de patiënten stelt zich dus de vraag naar de verhouding ( - of weerstand - ) ten aanzien van de psychoanalyse zelf. Daarin is de analyticus in zijn positie verbonden aan het lot van elkeen die zich analyticus noemt. Waar zich de band tussen controle en analytische gemeenschap aandient.


CONTROLE EN DE TRANSMISSIE VAN DE PSYCHOANALYSE

“De controle heeft geen enkele waarde indien ze zich beperkt tot het regelen van de relaties van de lerende analyticus met zijn patiënten. De controle is niets waard wanneer ze niet verder reikt, namelijk tot zijn verhouding tot de psychoanalyse”. Dit citaat uit het seminarie van Jacques-Alain Miller14 werd integraal overgenomen in het werkdocument van de Ecole Une over de controle. Het situeert de controle op een punt van verknoping tussen de individuele vorming en de School als analytische werkgemeenschap. Wie zichzelf autoriseert als analyticus engageert zich te laten weten hoe hij die plaats inneemt, welk gebruik hij er van maakt, welk weten uit deze ervaring voortvloeit dat kan bijdragen tot de vooruitgang van de psychoanalyse. Controle is een instrument om de particuliere benadering van het reële te verifiëren, de validiteit van een praktijk en de efficiëntie van de psychoanalyse vast te stellen. De ethische plicht van elkeen zijn praktijk naar buiten te brenge

n heeft dus de transmissie van de psychoanalyse zelf tot inzet.


Met het instrument van de controle maakt men zich tot een “passant permanent de sa pratique”15. Het is een plaats die de analyticus toelaat zich in de School te engageren langs de weg van de transmissie van zijn praktijk en alzo de verantwoordelijkheid op te nemen het analytisch discours levendig te houden en de vooruitgang ervan te verzekeren aan de hand van het materiaal en de effecten die door dit discours zelf zijn geproduceerd.


Met dit thema sloot Rivka Warshawsky de studiedagen af (“The clinic of supervision today”). De controle vandaag is de psychoanalyse van morgen, zo luidde haar stelling. Het niet exposeren van zijn praktijk en het weten dat er uit voortvloeit in een werkoverdracht op de School is van de orde van een weerstand. In de materie van de controle is de School, door een ontbrekende reglementering, geen vragende of eisende partij16. De School werkt niet met de vraag maar stoelt haar werking op het verlangen. Het verlangen te weten dat een uiteenzetting veronderstelt.


Dit roept uiteraard een echo op aan het motto van Scilicet : “Tu peux savoir”. En

daarmee meteen ook aan het thema van de komende studiedagen van de ECF te Parijs op 24 en 25 november: “Tu peux savoir comment on analyse à l’Ecole de la Cause Freudienne”.


Luc Vander Vennet


--------------------------------------------------------------------------------

1. Eric Laurent, Leur contrôle et le nôtre, in La Lettre Mensuelle, n° 114, décembre 92, pag. 17-20


2. Jacques Lacan, Proposition du 9 octobre 1967 sur le psychanalyste de l’Ecole, in Autres Ecrits, Editions du Seuil, Paris, 2001, pag; 243


3. Jacques Lacan, Acte de fondation, in Autres Ecrits, Editions du Seuil, Paris, 2001, pag; 229


4. Jacques Lacan, La direction de la cure et les principes de son pouvoir, in Ecrits, Editions du Seuil, 1966, pag. 585-674


5. Eric Laurent, La Conférence institutionnelle du 10 décembre, in La Lettre Mensuelle, n° 194, janvier 2001, pag. 8


6. Eric Laurent, op.cit.


7. Jacques Lacan, Discours à l’Ecole freudienne de Paris, in Autres Ecrits, Editions du Seuil, Paris, 2001, pag. 266


8. Massimo Recalcati, Pour une pratique analytique du contrôle, in La Lettre Mensuelle,n°195, février 2001, pag. 16


9. Jacques Lacan, Conférences et entretiens dans des universités nord-américaines, in Scilicet, n° 6/7, Editions du Seuil, Paris, 1976, pag. 42


10. Jacques Lacan, Le Séminaire, Le sinthome, leçon du 18 novembre 1975, in Ornicar?, n° 6


11. Philippe de Georges, Du contrôle analytique, in La Lettre Mensuelle, n° 195, février 2001, pag. 9


12. Marco Focchi, Remèdes contre le sommeil du désir, in La Lettre Mensuelle, n° 194, janvier 2001, pag. 10


13. Rose-Paule Vinciguerra, L’objet du contrôle, in La Lettre Mensuelle, n° 196, mars 2001, pag. 20


14. Jacques-Alain Miller, Le banquet des analystes, séminaire 1989-1990


15. Sara Perola Fux, Sur le contrôle, in La Lettre Mensuelle, n° 195, février 2001, pag. 21


16. Pierre-Gilles Guéguen, L’Ecole ne demande rien, in La Lettre Mensuelle, n° 195, février 2001, pag. 7