OMTRENT
EEN POLITIEK VAN DE CONTROLE IN DE SCHOOL
(Bedenkingen
naar aanleiding van de studiedagen van The Diagonal op 12-13 mei
te Londen)
L.
Vander Vennet
Enige
tijd terug werd op nedlijst een Nederlandse vertaling doorgestuurd
van het werkdocument van 7 oktober 2000 van het Actiecomité
van de Ecole Une omtrent de controle: “Le principe du contrôle
dans l’Ecole” (zie nedlijst EEP-D van maandag 23 februari 2001:
Het principe van de controle in de School). Zoals u er kon lezen
is dit document bedoeld om een politiek debat te lanceren in het
hart van de internationale gemeenschap omtrent de controle. De studiedagen
van The Diagonal, die plaatsvonden te Londen op 12 en 13 mei, onder
de titel “On the practice age geleverd. Deze ontmoeting vond plaats
in de voor de geschiedenis van de psychoanalyse niet ongekende Tavistock
Clinic, momenteel Tavistock Center geheten, vlakbij het Freud museum.
Georganiseerd door de EEP-D in samenwerking met de London Circle
vonden er, in een amicale sfeer, een twaalftal interventies plaats
met sprekers uit Frankrijk, Israël, Verenigde Staten en Groot-Brittannië.
Uit België sprak Francine Danniau. Een publiek van 80 man uit
verschillende landen (Frankrijk, Israël, Groot-Brittannië,
USA, Duitsland, Denemarken, Polen, België) zorgde voor geanimeerde
discussies. Talrijke korte onderbrekingen lieten een volgehouden
concentratie toe. Het is niet onze bedoeling een exhaustief verslag
te geven van de verschillende interventies en de daaruit voortvloeiende
discussies, dan wel naar aanleiding van het gebeuren zelf enkele
bedenkingen te formuleren over belangrijke topics die omtrent dit
thema op de voorgrond kwamen te staan.
REGLEMENTERING versus POLITIEK
Een
thema dat meermaals aan bod kwam was het onderscheid tussen “hun
controle en de onze”1. Verschillende sprekers gaven ons een inzage
in de manier waarop controle in andere analytische en psychotherapeutische
verenigingen in Engelstalige landen georganiseerd wordt en waarin
die van de controle in onze School verschilt. Wat niet altijd zonder
verrassende effecten blijkt te zijn voor wie voorheen ervaring met
andere opleidingsvormen heeft gehad (vb. Gabriela Vandenhoven over
haar orthodoxe vorming in Argentinië: “On the experience of
control”).
Een eerste verschil situeert zich in de regulering waaraan de controle
onderworpen is versus de deregularisatie van de controle in de School.
We hoorden meerdere getuigenissen over de verplichte vormen van
controle als onderdeel van een gestandaardiseerd opleidingsprogramma,
bij daartoe gekwalificeerde supervisors, soms als voorwaarde voor
het kunnen en mogen werken in voorzieningen, met voorgeschreven
tijdsduur, alsook volgens vooraf vastgelegde modaliteiten, bijvoorbeeld
volgens het principe van de parallel sessies of met het verplicht
woord voor woord registreren en voorleggen van de sessies. Uit de
interventie van Howard Britton (“From nothing to almost something”)
onthouden we dat in Groot-Brittannië supervisie actueel zeer
‘in’ is. Dit blijkt uit de vele publicaties die hieromtrent recent
verschijnen waaruit een moraliteit opduikt die de supervisie inschrijft
in een professioneel ideaal. Tegenover deze moraliserende regulering
staat de ontregeling of de desinstitutionalisering van de controle
in de School. Geen statuten, geen verplichting, geen lijsten van
geconfirmeerde controleurs… De controle, zo blijkt uit het verhaal
van eenieder, wordt veelvuldig toegepast maar zonder reglementering.
Tegenover de reglementering staat een politiek van de controle als
ethische plicht.
“L’analyste ne s’autorise que de lui-même”2 betekent immers
niet dat alles is toegestaan en men zich aan elke vorm van controle
door anderen kan onttrekken. Het is niet omdat een standaardcontrole
ontbreekt dat ‘elk zijn standaard’ dan de leuze wordt. Lacan stelde
immers de controle centraal in de funderende principes van zijn
School (zie Acte de Fondation3) als ethische plicht waarin subject
en School gedeelde verantwoordelijkheid hebben. Het is een ethische
plicht van de School aan de vraag naar controle te voldoen en in
de nodige mogelijkheden daartoe te voorzien. Het is anderzijds een
ethische plicht voor elkeen die zich inschrijft in de School zich
in een taak te engageren die een interne en externe controle impliceert.
Tegenover de autoautorisatie staat het onderworpen zijn van elk
werk aan kritiek en controle van enkele anderen. Aan de School dus
om tegenover de reglementering een politiek te stellen. Een definiëring
van een dergelijke politiek m.b.t. de controle is er echter niet,
er is daaromtrent weinig gewerkt. Vanwaar de oproep tot debat als
preliminair werk voor een preciezere uitwerking ervan. Niet als
controle van de controle, wel om te preciseren wat controle precies
is, het meest intieme van de ervaring ervan te exploreren en te
grijpen wat haar kwalificeert als onderscheiden van andere vormen
van psychotherapeutische supervisies. Wie zich in de School engageert
wordt opgeroepen hieromtrent getuigenis af te leggen als middel
om meer te weten te komen over de modaliteiten van deze praktijk,
welke effecten en resultaten zij heeft om de validiteit en efficiëntie
ervan te laten opduiken. De interventies die we in Londen hebben
gehoord vormden hiertoe alle een verscheiden bijdrage.
TEGENOVERDRACHT versus VERLANGEN VAN DE ANALYTICUS
Een ander punt van verschil betreft het oriënterend principe
van de controle. In de Britse traditie berust dit principe op het
identificeren en ophelderen van de tegenoverdracht van de analyticus.
De interventie van Ian Parker (“Systematic misrecognition in supervision
and analysis”) wees op het gevaar dat bestaat hoe andere vormen
van supervisie die op dit principe berusten en waaraan men door
zijn werkzaamheden in voorzieningen in Engeland verplicht dient
deel te nemen, soms ongemerkt de analyse kunnen doorkruisen en beïnvloeden.
Overdracht wordt in deze visie klassiek beschouwd als een verstoring
of misvatting van de reële relatie tussen analysant en analyticus.
De onderliggende idee is dat men een directe toegang zou hebben
tot het reële, te lezen als een objectieve realiteit. Therapie
zou dus bestaan in een ontmoeting waar een directe communicatie
tussen twee individuen mogelijk is, een soort zuivere intersubjectieve
relatie met een wederzijds herkennen en begrijpen. Overdracht en
tegenoverdracht is wat die directe verhouding in de weg staat en
in de controle dus dient opgehelderd (verder is er dan ook sprake
van een super-overdracht die dan de tegenoverdracht van de supervisor
zou zijn...). Het is een celebratie van het imaginaire als hedendaagse
versie van de Two-Body psychologie van Balint. Een gelijkaardige
gedachtegang vormt de achtergrond van het ‘containment’ principe
waar de supervisor de ervaring van de analysant ervaart via de weg
van de identificatie (Alan Rowan, “Supervision not super-vision”).
Beide getuigenissen illustreren hoe een mogelijke doorkruising,
via andere vormen van controle, van een dergelijke visie in de analyse,
van de psychoanalyse zelf wegvoeren. Een analytische kuur is geen
speculaire ontmoeting van twee ikken. (Ruth Golan werkte in haar
interventie het thema uit hoe het Ego een obstakel vormt voor zowel
de kuur als de controle en elke vorm van verrassing, elke dimensie
van het onvoorspelbare en het onbekende afspert: “How to deal with
the ego in psychoanalytic praxis and supervision?”)Tegenoverdracht
is overdracht van de analyticus die zich onttrekt aan zijn act waarvoor
hij in de kuur verantwoordelijk is. Weerstand van de analyticus
om als ‘semblant’ de plaats van het object a in te nemen. (Vincent
Dachy, “Which outlook to supervision?”) Het is vluchten voor het
verlangen van de analyticus dat tegen de identificatie ingaat en
een ontmoeting met het reële overheen de identificaties viseert.
Controle is een proces van verificatie en rectificatie van de positie
van de analyticus in de kuur. Controle laat toe het verlangen van
de analyticus, dat op het einde van de kuur is geproduceerd, de
plaats van het object in te nemen in de kuur, blijvend te verifiëren
en de obstakels die zich hiertegen verzetten op te heffen. In de
discussies hieromtrent werd vaak gebruik gemaakt van het onderscheid
tussen tactiek, strategie en politiek uit Lacans tekst “La direction
de la cure et les principes de son pouvoir”4. Controle viseert niet
enkel een aanpassing van de tactiek (interpretatie, zoeken naar
technische oplossingen) maar een verificatie van de positie van
de analyticus in de overdracht (strategie) en ten aanzien van de
logica van de kuur (politiek). Wat geverifieerd wordt is dat de
analyticus geen obstakel voor de kuur vormt.
Drie korte maar boeiende interventies gaven een demonstratie van
deze verificatie en rectificatie van de positie van de analyticus
in de kuur. Frank Rollier (“When supervision is the unexpected”)
illustreert hoe, terugdeinzend voor het intrusief Reële in
de ontmoeting met een psychotisch subject, het wegglijden uit zijn
positie als analyticus naar een meesterdiscours, hem op de plaats
stelt van een achtervolgende Ander wat de overdracht doet kantelen
in een dodelijke erotomanie. De controle liet een rectificatie van
deze positie toe waardoor het psychotisch subject niet langer tot
object van genot van de Ander werd gereduceerd. De kuur kon hierdoor
de plaats worden van de constructie van een waanmetafoor.
Heather Menzies (“Go with the flow”) op haar beurt getuigt hoe het
blijven vasthouden aan een identificatie als obstakel fungeert voor
haar positie als analytica in de kuur met een analysante. Met een
miskenning van de vele indicaties voor de diagnose van een obsessionele
neurose, die als hysterie wordt behandeld, tot gevolg. Een verrassende
tussenkomst in de controle liet toe haar positie te wijzigen en
bracht een kentering teweeg die echter het voortijdig beëindigen
van de kuur niet kon verhinderen. Gabriela Vandenhoven bracht een
mooie gevalsstudie met een illustratie van de wijze waarop de controle
haar toeliet in de kuur met een psychotisch kind secretaris te zijn
van een nieuw symbolisch verhaal.
Deze klinische bijdragen vormden meteen een antwoord op een door
Eric Laurent geopperde kritische bedenking5. Een controle geeft
aanleiding tot rectificaties in de positie van de analyticus in
een gevoerde kuur waaruit een andere benadering van het geval of
een kentering kan voortvloeien in de ontwikkeling van de kuur. Wanneer
men een gevalsstudie presenteert is dat allemaal terug gladgestreken.
Dat veegt meteen de controle en zijn effecten uit. Hij lanceert
dan ook een oproep om bij publicaties en presentaties van deze passages
en effecten die uit de controle voortvloeien te getuigen. In de
verschillende klinische interventies werd dit op een bijzondere
heldere wijze uiteengezet.
“MAITRISE” versus “SUPER-AUDITION”
Een
controle viseert de verhouding van de psychoanalyticus tot zijn
act. In zijn act is de analyticus alleen, hij alleen draagt er de
verantwoordelijkheid voor. Er is geen act van de act. Er is geen
garantie voor de act. De afwezigheid van een Ander die garant staat
laat echter niet om het even wat toe, is geen verontschuldiging
voor een luiheid: “L’absence de garantie dans l’Autre, que nous
notons A barré, n’implique nul argument paresseux. Ici, comme
ailleurs, il faut stratifier.” 6 De kuur, de passe, het onderwijs
en de controle zijn evenzoveel namen van deze stratificatie. Evenzoveel
modaliteiten van controle voor de afwezigheid van een garantie.
Lacan stelde in dit kader voorop dat een kuur niet verhelderd diende
te worden om te opereren. Maar hij liet daarbij meteen zijn wantrouwen
horen tegenover deze praktijken die zich niet laten verhelderen
door de bakens die voortvloeien uit de structuur van het discours
dat hen animeert. Het is zijn ongenadige kritiek op de onbekwaamheid
van analytici in zijn “Discours à l’Ecole freudienne de Paris’7
waaruit men in het werkdocument van de Ecole Une overigens een gelijklopend
citaat heeft overgenomen: “ C’est autre chose que de controler un
“cas” : un sujet (je souligne) que son acte dépasse, ce qui
n’est rien, mais qui, s’il dépasse son acte, fait l’incapacité
que nous voyons fleurir le parterre des psychanalystes.”
Er is dus geen act van de act. Dat impliceert meteen dat a) een
act zich niet laat onderwijzen en dat b) een act zich enkel laat
verifiëren en controleren. Over deze beide punten en de consequenties
die er voor de controle uit voortvloeien werd op de studiedagen
te Londen uitvoerig gedebatteerd.
We starten met het eerste punt: een act laat zich niet onderwijzen.
Dat impliceert meteen dat een controle dus ook geen vorm van leerproces
kan zijn. Geen technische oefening, het aanleren van technieken
door een meer ervaren analyticus aan een minder ervaren analyticus,
gekaderd in een opleidingsprogramma en zich dus vooral situerend
bij de aanvang van een praktijk. In andere psychotherapeutische
visies is controle een vorm van ‘maitrise’, een pedagogische overdracht
van kennis door een ervaren supervisor, vaak onder de vorm van een
soort kant en klare controles voor urgente situaties of het tactisch
oplossen van moeilijke problemen8. Howard Britton bracht aan dat
recente publicaties meer en meer wijzen op het ontstaan van gespecialiseerde
controles voor specifieke problemen of doelgroepen: “ The Social
Work Supervisor”; “Skills of Clinical Supervision for Nurses”; “Psychotherapy
Supervision”. De functie van supervisor wordt eveneens een specialiteit,
als belichaming van een Ander die garant staat en wiens betekenaars
men overneemt: “Developing a personal style as a supervisor”. Dergelijke
vormen van controle laten geen ruimte meer voor een analytische
ervaring van de praktijk van de controle, consistent aan het analytisch
discours.
Een analytische controle richt zich eigenlijk op hetzelfde als de
analytische kuur, ze viseert met name aan de horizon een onmogelijke
te zeggen, een reële. Bij de discussie hieromtrent liet men
zich voornamelijk inspireren door enkele uitspraken van Lacan in
verband met controle. Op de eerste plaats de suggestie van Lacan
om de term ‘supervision’ te vervangen door de term ‘super-audition’.
(Suzanne Yang bracht in haar lezing een demonstratie van deze dimensie
in de positie die Freud aannam als controleur in de analyse van
de Kleine Hans: “Freud as supervisor – the case of Little Hans”.)
“Il arrive que je fasse ce qu’on appelle des supervisions. Je ne
sais pas pourquoi on a appelé ça supervision. C’est
une super-audition.”9 In diezelfde context drukt Lacan zijn verrassing
uit dat men, luisterend naar een analyticus in een controle, doorheen
datgene wat een analyticus zegt een voorstelling kan hebben van
diegene die in analyse is, de analysant. Het is een nieuwe dimensie,
zegt Lacan. Een controle laat in de relatie analyticus-analysant
een “dit-mension” verschijnen, analoog aan de structuur van de Witz,
een ‘dit-mension’ die zich dus laat overdragen losgekoppeld van
een concreet subject. In die context wordt over de controle wel
eens gesproken in termen van een dubbele boekhouding.
Het aspect van de ‘verrassing’ in de controle werd benaderd vanuit
de referentie waar Lacan over de controle in etappes spreekt. In
een eerste etappe, stelt hij, brengen analytici ongeveer om het
even wat aan en ik stem overal mee in, ze hebben altijd gelijk.
Wat niet te verstaan is als zijn instemming om in een analyse om
het even wat te doen. Het is een ondersteunen van het aan het werk
zetten van de analysanten in de overdracht in functie van een tweede
tijd of etappe waarin men in de controle een interventie aanbiedt
die analoog is aan de interpretatie in de kuur: “c’est de savoir
jouer de l’interprétation comme équivoque qui pourrait
libérer le sinthome”.10 Waar analytici in een eerste tijd
aanbrengen wat ze weten, gaat het in een volgend moment om het toevoegen
van iets wat als het ware in een flits laat opduiken wat overheen
de limieten van het weten mogelijk is.
Een controle berust dus niet op een overdragen van een bestaand
weten maar viseert aan de hand van het aangebrachte materiaal wat
bij verrassing opduikt, het onvoorspelbare wat men ontmoet in de
kliniek om er het reële te grijpen, telkens op een andere manier.
Het is dus veeleer de creatie van een weten, een uitvinden.
EINDE VAN DE KUUR versus ONEINDIGE CONTROLE
Een
analytische act laat zich niet onderwijzen maar laat zich enkel
verifiëren. Precies uit de afwezigheid van garantie vloeit
de ethische plicht van een noodzakelijk permanente controle voort.
Het eigene van een analytische controle ligt in dit permanente karakter
in tegenstelling tot de tijdelijke aard ervan in andere therapeutische
oriëntaties waar de controle zich vooral situeert in een initieel
moment of sporadisch plaatsgrijpt bij de ontmoeting van problemen
in urgente situaties. De studiedagen in Londen grepen plaats met
op de achtergrond de woorden van Marie-Hélène Brousse
waarmee de vorige studiedagen te Parijs werden afgesloten en het
thema van de controle voor de volgende studiedagen werd aangekondigd.
Ze liet horen zelf permanent in controle te zijn. Een analyse is
noodzakelijkerwijze altijd onvolmaakt, er blijft altijd een subject,
een residu. Het is wat een permanente controle noodzaakt. Het tegenover
elkaar stellen van het eindige karakter van de kuur versus het permanente
en oneindige karakter van de controle werd dan ook uitvoerig bediscussieerd.
Zelfs de meest ervaren analytici wijken niet voor controle terug11.
“Controle is het continu becommentariëren van een analyticus
van zijn act” (cfr. Jacques-Alain Miller). De analytische praktijk
van de controle is een lang volgehouden, continu proces dat veel
tijd vergt in een blijvende verificatie van de positie van de analyticus.
Het verlangen van de analyticus, dat op het einde van de kuur verondersteld
wordt geproduceerd te zijn, is geen verworven toestand. Het is geen
statische notie van de orde van een verworven etiket of het statuut
van een professionele titel, waarbij men verder op zijn lauweren
kan rusten. 12 De controle als een voortzetting van de analyse met
andere middelen (verwijzend naar von Clausewitz: de oorlog als voortzetting
van de vrede met andere middelen) was als stelling de inzet van
een boeiend debat. Het onderscheid tussen analyse, controle en passe
sloot hier bij aan.
Dit was trouwens ook het onderwerp waarmee Jean-Pierre Klotz de
studiedagen had ingeleid. Controle is geen kwestie van techniek
maar van ethiek. De relatie van de analyticus als subject met de
functie die hij inneemt als object in de kuur blijft een probleem
doorheen de gehele praktijk en niet alleen bij de aanvang ervan.
Die kloof tussen het subject en de plaats die hij als object inneemt
is materie voor een permanente controle. De manier waarop een analyticus
met deze relatie omgaat, de relatie van het subject in confrontatie
met het reële, daarover bestaat geen conformiteit, geen voorgeschreven
weg maar slechts verschillende, particuliere modaliteiten die analytici
aan collegae ter controle voorleggen. Wat gesuperviseerd wordt is
het subject in zijn verhouding tot de psychoanalyse. (“…the gap
between the subject and the analyst, the way he manages that relationship
is subject of the control…)
De interventie van Rose-Paule Vinciguerra13 (“The purpose of the
supervision”) sloot hier onmiddellijk bij aan. Overheen de controle
van een concreet geval, overheen de controle van een praktijk viseert
een analytische controle een subject. Tegenover de ‘horreur’ voor
zijn act van een analyticus staat het noodzakelijk tegengewicht
van een permanente controle. In de dagelijkse praktijk telkens geconfronteerd
met het radicale tekort in de Ander staat de analyticus alleen.
Hoe dupe te zijn van het Reële is een vraag waar geen eensluidend
antwoord op is. Overheen de relatie met de patiënten stelt
zich dus de vraag naar de verhouding ( - of weerstand - ) ten aanzien
van de psychoanalyse zelf. Daarin is de analyticus in zijn positie
verbonden aan het lot van elkeen die zich analyticus noemt. Waar
zich de band tussen controle en analytische gemeenschap aandient.
CONTROLE EN DE TRANSMISSIE VAN DE PSYCHOANALYSE
“De
controle heeft geen enkele waarde indien ze zich beperkt tot het
regelen van de relaties van de lerende analyticus met zijn patiënten.
De controle is niets waard wanneer ze niet verder reikt, namelijk
tot zijn verhouding tot de psychoanalyse”. Dit citaat uit het seminarie
van Jacques-Alain Miller14 werd integraal overgenomen in het werkdocument
van de Ecole Une over de controle. Het situeert de controle op een
punt van verknoping tussen de individuele vorming en de School als
analytische werkgemeenschap. Wie zichzelf autoriseert als analyticus
engageert zich te laten weten hoe hij die plaats inneemt, welk gebruik
hij er van maakt, welk weten uit deze ervaring voortvloeit dat kan
bijdragen tot de vooruitgang van de psychoanalyse. Controle is een
instrument om de particuliere benadering van het reële te verifiëren,
de validiteit van een praktijk en de efficiëntie van de psychoanalyse
vast te stellen. De ethische plicht van elkeen zijn praktijk naar
buiten te brenge
n
heeft dus de transmissie van de psychoanalyse zelf tot inzet.
Met het instrument van de controle maakt men zich tot een “passant
permanent de sa pratique”15. Het is een plaats die de analyticus
toelaat zich in de School te engageren langs de weg van de transmissie
van zijn praktijk en alzo de verantwoordelijkheid op te nemen het
analytisch discours levendig te houden en de vooruitgang ervan te
verzekeren aan de hand van het materiaal en de effecten die door
dit discours zelf zijn geproduceerd.
Met dit thema sloot Rivka Warshawsky de studiedagen af (“The clinic
of supervision today”). De controle vandaag is de psychoanalyse
van morgen, zo luidde haar stelling. Het niet exposeren van zijn
praktijk en het weten dat er uit voortvloeit in een werkoverdracht
op de School is van de orde van een weerstand. In de materie van
de controle is de School, door een ontbrekende reglementering, geen
vragende of eisende partij16. De School werkt niet met de vraag
maar stoelt haar werking op het verlangen. Het verlangen te weten
dat een uiteenzetting veronderstelt.
Dit roept uiteraard een echo op aan het motto van Scilicet : “Tu
peux savoir”. En
daarmee
meteen ook aan het thema van de komende studiedagen van de ECF te
Parijs op 24 en 25 november: “Tu peux savoir comment on analyse
à l’Ecole de la Cause Freudienne”.
Luc Vander Vennet
--------------------------------------------------------------------------------
1.
Eric Laurent, Leur contrôle et le nôtre, in La Lettre
Mensuelle, n° 114, décembre 92, pag. 17-20
2. Jacques Lacan, Proposition du 9 octobre 1967 sur le psychanalyste
de l’Ecole, in Autres Ecrits, Editions du Seuil, Paris, 2001, pag;
243
3. Jacques Lacan, Acte de fondation, in Autres Ecrits, Editions
du Seuil, Paris, 2001, pag; 229
4. Jacques Lacan, La direction de la cure et les principes de son
pouvoir, in Ecrits, Editions du Seuil, 1966, pag. 585-674
5. Eric Laurent, La Conférence institutionnelle du 10 décembre,
in La Lettre Mensuelle, n° 194, janvier 2001, pag. 8
6. Eric Laurent, op.cit.
7. Jacques Lacan, Discours à l’Ecole freudienne de Paris,
in Autres Ecrits, Editions du Seuil, Paris, 2001, pag. 266
8. Massimo Recalcati, Pour une pratique analytique du contrôle,
in La Lettre Mensuelle,n°195, février 2001, pag. 16
9. Jacques Lacan, Conférences et entretiens dans des universités
nord-américaines, in Scilicet, n° 6/7, Editions du Seuil,
Paris, 1976, pag. 42
10. Jacques Lacan, Le Séminaire, Le sinthome, leçon
du 18 novembre 1975, in Ornicar?, n° 6
11. Philippe de Georges, Du contrôle analytique, in La Lettre
Mensuelle, n° 195, février 2001, pag. 9
12. Marco Focchi, Remèdes contre le sommeil du désir,
in La Lettre Mensuelle, n° 194, janvier 2001, pag. 10
13. Rose-Paule Vinciguerra, L’objet du contrôle, in La Lettre
Mensuelle, n° 196, mars 2001, pag. 20
14. Jacques-Alain Miller, Le banquet des analystes, séminaire
1989-1990
15. Sara Perola Fux, Sur le contrôle, in La Lettre Mensuelle,
n° 195, février 2001, pag. 21
16. Pierre-Gilles Guéguen, L’Ecole ne demande rien, in La
Lettre Mensuelle, n° 195, février 2001, pag. 7
|
|