HOME
PROGRAMMA
AGENDA
LINKS



 

KRING VOOR PSYCHOANALYSE VAN DE NEW LACANIAN SCHOOL TEKSTEN: REFERENTIES BIJ TEKSTEN VAN LACAN


TEKSTEN DE LA CURE ET LES PRINCIPES DE SON POUVOIR

Direction de la cure et les principes de son pouvoir
Samenvatting en commentaar
Hubert Van Hoorde

De leiding van de kuur en de grondslagen van haar vermogen/macht

de vertaling van "pouvoir" zou in het verloop van de tekst kunnen variëren: de macht van de taal, de macht van de overdracht, van de kuur, enz…, maar ook wat de kuur vermag, haar vermogen.

I. Qui analyse aujourd'hui ? (pp. 585-592)
Wie analyseert vandaag ?

1. (pp. 585-586)
Tegenoverdracht is in de mode, maar is als concept niet zuiver op de graat, dit des te meer als men er de visie op de psychoanalyse bij denkt die dezer dagen opgeld maakt onder de naam van "emotionele heropvoeding van de patiënt". Daar ligt de aan te vallen vervalsing waardoor men zich van Freud heeft verwijderd.
Het is Lacan te doen om de emotionele heropvoeding onder de mantel van de tegenoverdracht.
"Nous entendons montrer en quoi l'impuissance à soutenir authentiquement une praxis, se rabat, comme il est en l'histoire des hommes commun, sur l'exercice d'un pouvoir " (p. 586) : wij nemen ons voor aan te tonen hoe het onvermogen een praxis waarachtig op te houden, terugvalt, zoals het in de menselijke geschiedenis gewoonlijk gebeurt, op het uitoefenen van macht.
"praxis" wordt door JL gecursiveerd. Het gaat hem inderdaad om "l'action de l'analyste" die verkeerd wordt gesitueerd, wat op zich een theoretische zaak is, maar wat uiteraard verstrekkende gevolgen heeft voor de praktijk. Vervolgens gebruikt hij niet het gangbare woord "pratique", maar suggereert hij door het meer filosofisch gebruikte "praxis" nog duidelijker de tweespalt tussen theoretische uitgangspunten die desgevallend worden gehuldigd en de praktijk waarmee zij die ze huldigen ze meteen ook ontkrachten.
De praxis van de psychoanalyse, haar effecten worden uitgemaakt door de greep van het symbolische op het reële.

2. (p. 586)
De analyticus leidt ongetwijfeld de kuur, maar dient de patiënt niet te leiden. Geestelijke leiding is in dezen immers uit den boze. De leiding van de kuur impliceert eerst en vooral dat men het subject de analytische regel laat toepassen, die als zodanig wordt medegedeeld. De formulering ervan is op zich al drager van de doctrine die de analyticus aankleeft.
In de plaats van (het uitoefenen van macht) de macht komt het uitspreken van de analytische regel. Deze regel zelf draagt in zijn formulering reeds een verband met de door de analyticus gehuldigde doctrine.
Macht uiteoefenen is niet het zelfde als leiden. De communicatie is niet symmetrisch. De psychoanalyticus moet weten dat de psychoanalyse een artefact is: de regressie treedt slechts op op het vlak van de betekenaar. Treedt ze in het reële op, dan is er wel iets aan de hand.

3. (pp. 586-587)
We zouden het onderwerp echter langs de kant van de analyticus aanvatten.
De analyticus brengt ook zijn inzet in het spel, namelijk
- door zijn woorden ("payer de mots"); [Symbolisch]
- door zijn persoon ("payer de sa personne") die hij leent als drager voor de overdracht; [Imaginair]
- door zijn meest intieme oordeel waarmee hij zich in een handeling begeeft die het diepste van het zijn raakt zodat hij niet buiten schot kan blijven. [Reële]
waarmee Lacan alludeert op het zijn ("être") en op artikels uit "La psychanalyse d'aujourd'hui" van S. Nacht, Lebovici, M. Bouvet en Racamier.
Dat men nochtans zou stellen dat de analyticus minder geneest door wat hij zegt dan door wat hij is, is echter een vergissing van hen die efficiëntie zonder theorie aankleven. [cf. Sacha Nacht] Het leidt tot de misstand dat een practicus zich op zijn goedheid verlaat om de overdracht aan te pakken. De wens goed te zijn haalt ook de dimensie van het zijn naar voren evenals de vraag wat die dimensie hier komt doen.

4. (pp. 587-588)
De analyticus - en dat ben ik zelf - moet dus terug op het matje met de opmerking dat hij des te minder zeker is van zijn handelen naarmate zijn zijn er is in betrokken.
Schipper naast god ben ik vrij in de keuze van mijn zeggen en handelen in die mate dat ik weet er de effecten van niet helemaal in mijn macht te hebben.

5. (pp. 588-589)
Wat het hanteren van de overdracht betreft wordt mijn vrijheid evenwel beperkt door de ontdubbeling van mijn persoon: iedereen weet dat men daar het geheim van de analyse moet zoeken.
Nochtans belet dit niet dat men vooruitgang meent te boeken door de analyse als een situatie met twee voor te stellen. Dit leidt tot een voorstelling van een zogenaamd zwak Ik dat door een sterk geacht Ik moet worden gedresseerd. Dit is een afwijking! Iedere analyticus weet dat de overdracht niet als een situatie met twee mag noch kan worden opgevat: hij is immers niet voor het optreden ervan verantwoordelijk, wat Freud al onderstreepte.
In hun verscheurende herzieningen van de leer vergissen analytici zich als zij hun gevoelens onder de vorm van tegenoverdracht in de weegschaal werpen tegen de overdracht en zo menen de zaak in evenwicht te brengen.
Weet men hoe zeer de analysant [hier nog "analysé"] zijn fantasma's op de persoon van de analyticus stapelt? De metafoor van de spiegel is hier gevaarlijk: het zwijgen en het gebrek aan mimiek hebben hier een ander doel dan in het bridge-spel, de analyticus roept er met de dood de vierde term mee op die de partner van de analysant is. Eén ding is zeker: de gevoelens van de analyticus kunnen slechts één plaats innemen in het spel, die van de dode. Daarom is de analyticus minder vrij in zijn strategie dan in zijn tactiek.

6. (pp. 589-591)
Nog minder vrij is de analyticus in wat zijn strategie en zijn tactiek domineert: namelijk zijn politiek waarbij hij er beter aan doet zich te beroepen op zijn gebrek-aan-zijn ("manque à être") dan op zijn zijn. M.a.w.: zijn handelen ontsnapt hem naarmate hij er zich meer een idee van vormt en hij er de gedeeldheid niet meer van ziet.
De "psychanalystes d'aujourd'hui" vinden die verhouding tot de werkelijkheid vanzelfsprekend: als de patiënt er van afwijkt, wijzen zij er hem op net zoals opvoeders dat al sinds mensenheugnis doen. M.b.t. de analyticus steunen zij daarvoor op de didactische analyse, wat echter uitstel van executie is omdat het geen antwoord op de theoretische problematiek geeft.
Het is merkwaardig dat zij er in slagen de zaak zo treffend te vereenvoudigen. Men durft zich nauwelijks voorstellen wat zij er van hadden gebakken indien zij - de opvoeders bij uitstek - gedwongen waren geweest de analyse uit te vinden… Wellicht is het daarom dat zij zo gevoelig zijn voor vormelijke aspecten.
Men begrijpt dat voor een aantal analytici van over de grote plas de behoefte bestond aan de invoering van een stabiel steunpunt in de appreciatie van de werkelijkheid: het autonome ego. Het gaat om de vereniging van functies die het gevoel van eenheid aan het subject verlenen, een geheel dat autonoom is in die zin dat men het als een "non-conflictual sphere" beschouwt. Wat een versleten fata morgana van de meest academische introspectieve psychologie is dat toch ondertussen bejubeld wordt als de terugkeer tot de "algemene psychologie": de analyse zou dus eindelijk thuis gekomen zijn!
Hoe dan ook lost het het probleem van de analyticus op: een team ego's, minder gelijk ("égaux") dan autonoom, biedt zich aan de Amerikanen aan om hen naar de happiness te leiden zonder de autonomie te verstoren die de verondersteld conflictloze American way erheen plaveit.

7. (pp. 591-592)
Samenvattend. Had de analyticus enkel met weerstanden te maken, dan volstond de voorzichtigheid bij het duiden.
Maar elke duiding wordt ontvangen als komend van de persoon die de overdracht hem oplegt te zijn. Deze persoonsverwisseling moet geduid worden op gevaar af van in de grofste suggestie te blijven steken. Maar ook deze duiding komt van de Andere van de overdracht zodat een regressio ad infinitum dreigt te ontstaan.
De vraag wat de analyticus is blijft dus terugkeren. Beroept hij zich op zijn Ik en op zijn kennis van de werkelijkheid, dan komt hij met zijn analysant in een duele relatie terecht: dit is uitzichtloos en het is precies daarom dat men beroep doet op de alliantie met het zogenaamde gezonde deel van het ik van de analysant.
Besluit: de psychoanalyse moet opnieuw worden uitgevonden. Of althans herwerkt. Wie is de analyticus: hij die duidt door gebruik te maken van de overdracht? Hij die de overdracht als weerstand duidt? Of hij die zijn opvatting van de werkelijkheid oplegt?
Net zoals die andere vraag: wie spreekt? Het antwoord "ik" is te simpel.


II. Quelle est la place de l'interprétation? (pp. 592-602)
Welke plaats neemt de duiding in ?

1. (pp. 592-593)
Wat voorafgaat toont hoe de duiding een minder vooraanstaande plaats in de analyse heeft gekregen. Men heeft het er ook moeilijk mee haar zin te benaderen. Wellicht daarom beginnen de meeste auteurs met te zeggen wat ze niet is. Het lijkt er soms op dat men vermijdt iets als duiding te benoemen, ook als het een insight beoogt.

2. (p. 593)
De moeilijkheid is dat men niets zinnigs over de duiding kan zeggen als men het concept van de betekenaar niet in rekening brengt: dit concept vat waar het subject aan de betekenaar onderworpen is en er door verleid en misleid wordt ("le sujet s'y subordonne au point d'en être suborné").
Om de diachronie van de onbewuste herhalingen te ontcijferen moet de duiding iets in de synchronie van de betekenaars invoeren dat vertaling mogelijk maakt: de functie van de Andere van de code en het ontbrekend element.
Het ontbreken van de betekenaar is treffend bij Glover: hoe zinnig zijn inzichten ook zijn, toch leidt dit er hem toe overal duiding te zien. De duiding wordt zo een soort flogistiek: overal aanwezig en onvatbaar is het voedsel voor het imaginaire. De helling van het metafysische dreigt (Jung & Boehme).
Met Freud liggen de zaken heel anders.

3. (p. 594)
Onze doctrine van de betekenaar is eerst en vooral een discipline van de wijzen waarop de betekenaar een rol speelt in het verschijnen van (de zin/betekenis) het betekende: zo is het mogelijk te vatten hoe de duiding iets nieuws kan teweegbrengen.
Dit heeft geen goddelijke fundering maar is enkel gevestigd op de opvatting van het onbewuste als gestructureerd als een taal, waarin een materiaal speelt volgens de wetten van talen die effectief gesproken worden of werden.
Vandaar de metafoor van de flogistiek voor Glover: de betekenis ontstaat net zo min uit het leven als de flogistiek uit de verbranding. Veeleer gaat het om de combinatie van het leven met het teken O, dat tegelijk aan- en afwezigheid stelt: tegelijk omdat aanwezigheid de achtergrond van de mogelijke afwezigheid veronderstelt en de afwezigheid in de aanwezigheid wordt ingesteld.
Men herinnere zich hoe Freud trefzeker het mechanisme van de herhaling aanhaakt in het Fort-Da-spel van het kind en de daarbij geproduceerde fonemen die Freud in zijn Duits terecht zingeeft: een onbetekenend object en een koppel fonemen duiden het punt aan waarop een aan het subject vooafbestaande symbolische orde wordt ingezaaid volgens welke het subject zich zal moeten structureren.

4. (pp. 594-595)
Hier de regels van de duiding opsommen is onbegonnen werk. Wel moet worden opgemerkt hoe weinig de klassieke commentatoren putten uit wat ze zelf formuleren.
Voorbeeld: iedereen is het er over eens dat de waarde van een duiding niet blijkt uit de beaming van het subject, maar wel uit het materiaal dat zij laat volgen. Het psychologiserende bijgeloof is echter zo sterk dat men zich toch altijd op een soort beaming van het subject beroept en daarbij Freuds opvatting van de Verneinung als een bekentenis vergeet.
Zo vertaalt de theorie hoe de weerstand door de praktijk wordt opgeroepen, wat ik wil onderstrepen: er is geen andere weerstand aan de analyse dan de weerstand van de analyticus zelf.

5. (pp. 595-596)
Hedendaagse auteurs [die van "Psychanalyse d'aujourd'hui"] schijnen de gang van zaken helemaal omgekeerd op te vatten. Voor hen lijkt de duiding iets als wat vanzelf meemurmelt met het wederzijds begrip in een brede relatie. Dit heeft te maken met de passie van de analyticus: zijn vrees voor de onwetendheid, voor het teleurstellen van de ander, zijn behoefte de zaak te bemeesteren. Dit is geen zaak van tegenoverdracht, maar is gewoon een gevolg van de duele relatie. De aanwezigheid van de patiënt maakt nog de analytische relatie niet uit, men knope zich dat goed in de oren.

6. (p. 596)
De overdracht wordt op die wijze de verzekering van de analyticus en alles speelt zich af op het terrein van de relatie tot de werkelijkheid. De duiding dient eerst om de overdracht te verstevigen, nadien om hem te reduceren en te resorberen in wat men dan working through noemt: een (be)werk(ing) van de overdracht waarin alles wordt opengegooid voor een versterking van het Ik.

7. (pp. 596-598)
Heeft men er op gelet dat Freud bij de Rattenman - waar men denkt dat hij eerst een soort indoctrinatie uitvoert - de procedure gewoon helemaal in de andere richting doorloopt? Hij leidt de patiënt eerst tot een afbakenen van zijn positie in het reële, zelfs als dat tot een versterking of systematisering van de symptomen zou leiden.
Ander notoir voorbeeld: Dora, die Freud wijst op het aandeel dat zij zelf heeft in het tot stand komen of in stand houden van het rommeltje dat zij haar vader verwijt. Hegel's "belle âme" wordt hier op haar plaats gezet.
Maar het is meteen duidelijk in deze voorbeelden dat de overdracht reeds zijn werk heeft gedaan en dat het dus niet gaat om de verhouding tussen het Ik en de wereld.
Het meest waardevolle van Freuds ontdekking is niet dat hij de suggestieve waarde hiervan heeft ingezien, maar wel dat het probleem maar oplosbaar was op voorwaarde dat van die suggestieve kracht geen gebruik werd gemaakt.
De overdracht kan zich dan ontplooien en richt zich niet meer tot de lijfelijk aanwezige persoon: vandaar dat Freud het "face à face" gesprek weigert.
Freuds duidingen zijn zo gedurfd en meteen ook zo gevulgariseerd geworden dat wij er de "mantique", de waarzeggerskunst of helderziendheid niet meer van erkennen. Als hij het over een drift (Trieb) heeft, wat heel anders is dan een instinct, zien wij door de frisheid van zijn ontdekking niet meer wat dit meteen ook als opkomst van de betekenaar inhoudt. En als hij het verder over de lotgevallen van het subject heeft, heeft dit zo weinig vandoen met het Ik noch met het hic et nunc van de duele relatie dat hij recht afgaat op een pact dat aan de geboorte van de Rattenman voorafging en doorheen de generaties zijn verlangen en zijn impasses komt bepalen.
Nog sterker is dat Freud bij de Rattenman in wezen door een foute duiding bij het juiste materiaal terechtkomt en zodoende zelfs opent wat zo kenmerkend is voor de functie van de Andere in de dwangneurose, namelijk dat zij door een dode wordt ingenomen: de dode vader wordt daarmee de absolute Vader.

8. (p. 598)
Wat ik met deze voorbeelden - men zal het mij vergeven er geen uit mijn eigen praktijk te gebruiken omwille van de herkenbaarheid - wil aantonen, is dat de fundamentele ontdekkingen van Freud zich omtrent de dwangneurose aftekenen tegen de horizont van een kuur die volgens een procesmatige gang verloopt: gaande van de rectificatie van de verhouding van het subject met het reële naar de ontplooing van de overdracht en dan naar de duiding. Noch meer noch minder.
Hebben wij die horizont niet verloren door de zaken om te keren?
De leiding (direction) is hier ook te lezen als de richting (van het proces)

9. (pp. 598-602)
De zogenaamde nieuwe wegen die men Freuds ontdekking heeft doen inslaan, getuigen enkel van de grootste verwarring waarin men is terechtgekomen. Getuige daarvan de casus die Ernst Kris bespreekt en die hij van Melitta Schmideberg heeft overgenomen.
Het gaat om een man wiens inhibitie gegrondvest is op een impuls tot plagiaat. Schmideberg zag dit als een recurrentie van zijn infantiele diefstallen (snoep, boeken).
Kris houdt ons voor dat hij de casus wil hernemen met meer methode, namelijk van de oppervlakte naar de diepte en dit in het teken van Hartmanns ego-psychologie. Als het subject weer overtuigd is in een nieuw werk te hebben geplagieerd, gaat Kris de zaken nalezen en stelt hij vast dat van plagiaat geen sprake is. Hij legt aan het subject uit dat de overtuiging plagiaat te plegen de overdekking van het tegendeel is: de patiënt houdt zichzelf voor een plagiator om zichzelf te beletten het te worden, dit wil zeggen dat de weerstand geanalyseerd wordt voor de drift, hier vertegenwoordigd in de aantrekkingskracht van andermans ideeën.
Kris' fout is de veronderstelling dat drift en weerstand concentrisch zijn.
De fout wordt bevestigd waar Kris een beaming van zijn duiding ziet: de patiënt vertelt hem dat hij na de analytische sessies langs restaurants kuiert om op de menu's zijn favoriete gerecht te zoeken, niets minder dan verse hersentjes. Waar Kris een bevestiging ziet, zien wij eerder een acting out, correctief ten aanzien van de duiding en wijzend op wat in de sessie ontbrak als mosterd na de maaltijd: de patiënt geeft als hint: u zit er naast.
Dat Kris een ernstig man was, recht door zee - zie het Mariënbad-Berlijn-verhaal -, speelt hem parten: het materiaal is immers niet rechtlijnig. Het is niet zozeer dat uw patiënt niets steelt, maar wel dat hij (het) niets steelt. Het gaat niet om afweer van de idee te stelen, maar wel dat hij geen enkel idee van zichzelf kan hebben.
De patiënt wordt door Kris als een dwangneuroticus beschouwd, maar lijkt eerder een anorecticus, waarbij het "mentale" van de anorexie hier als het voorwerp ervan moet worden beschouwd. Zijn vader had geen eigen gedachten, zo geeft Kris aan, en de grootvader blonk er precies in uit.
Kris' gang van de oppervlakte naar de diepte, zoals hij het stelt, heeft echter niets vandoen met Freuds subjectieve rectificatie die door geen enkele topische prioriteit wordt gemotiveerd. Die rectificatie is bij Freud immers dialectisch: zij gaat uit van het spreken van de patiënt en keert er naartoe terug.
Steunen op de objectiviteit is hier dus een vergissing net zoals het verwarren van oppervlak en oppervlakkigheid gevaarlijk is. Een andere topologie dringt zich op om zich niet te vergissen waar het de plaats van het verlangen betreft.
Het verlangen overdekken waar het door de patiënt reeds verduisterd werd, is niet het correcte gevolg geven aan Freuds onderwijs.


III. Où en est-on avec le transfert? (pp. 602-612)

Waar staat men in verband met de overdracht ?

1. (pp. 602-603)
Men moet zich tot het werk van Daniel Lagache wenden voor een overzicht van de werken over overdracht sinds Freud ons zijn ontdekking meedeelde en voor essentiële theoretische inzichten zoals het onderscheid tussen herhalingsdwang en herhaling van de behoefte.
Dit werk toont ook hoe ontoereikend de vulgaire en wijd verspreide opvatting van de overdracht is als de som en de opeenvolging van de positieve of negatieve gevoelens die de patiënt zijn analyticus toedraagt.
Dat we nog niet erg ver staan wordt aangereikt door onopgeloste vragen zoals:
- is het wel het zelfde effect van de relatie tot de analyticus dat ten grondslag ligt aan de primaire enamoratie bij het begin van de behandeling en de moeilijkheid om die bevrediging op te geven als de overdracht de grenzen van de analyse gaat overschrijden?
- Is het wel de relatie tot de analyticus en de fundamentele frustratie die ten grondslag liggen aan de scandering frustratie-agressie-regressie die zo vruchtbaar is voor de analyse?
- Hoe zit het met de fantasma's die openlijk de persoon van de analyticus aangaan?
Ida Macalpine's fundamentele studie is daarvoor van groot belang.
Het gaat hier om programmatische vragen die Lacan in het vervolg van dit hoofdstuk en van de hele tekst zal uitwerken. Of hij ze ook beantwoordt zal de verdere lectuur uitmaken.
Het verloop van de kuur ligt ook in deze vragen uitgetekend: begin, tweede periode, einde.

2. (p. 603)
Het gaat om een centrale notie voor het analytisch handelen. Het hanteren van de overdracht hangt immers nauw samen, of valt zelfs samen met de opvatting die men er van heeft.
Er is een centraal tekort in de theorieën. De vervalsing van Freud's concepten valt samen met de teloorgang van het verlangen van de analyticus.
Om didactische redenen onderscheiden we drie aspecten.

3. (pp. 603-604)
Eerste aspect: we leggen het verband tussen het genetisme - dat de analytische fenomenen in de ontwikkeling fundeert en zich beroept op de rechtstreekse observatie van het kind - en een bepaalde techniek, die van de weerstandsanalyse.
Hun verband is historisch aantoonbaar en vertrekt bij het onbewuste Ik en Freuds doctrinaire heroriëntering. Anna Freud heeft echter een bijkomende stap gezet naar de hypothese dat de weerstandsmechanismen een zelfde gefaseerde emergentie kennen en in een fysiologisch-psychologische ontwikkelingsgang zijn in te passen. Dit heeft voor de techniek echter geen vooruitgang gebracht, ook al zijn er een paar treffende observaties genoteerd.
De notie van het pattern komt a.h.w. een mislukte typologie opvangen en het opzoeken van niet-actuele patterns wordt een onderdeel van de techniek. Deze techniek zal echter leiden tot conformisme en sociale achterpoortjes, overdekt door het qualificatief "economisch" dat hier gebruikt wordt tegen de zin in die het voor Freud had.
Het zogenaamde conformisme is de terugkeer naar het "pattern" van de analyticus als model. De "planning" van de analyse gaat in tegen het verlangen van de analyticus.

4. (pp.604-606)
Het tweede aspect is dat van de object-relatie, minder vervormd wat zijn analytisch reliëf betreft.
Net zoals het genetisme heeft deze theorie een edele oorsprong: Abraham heeft dit register geopend en de notie van partieel object is zijn originele bijdrage, waarvan wij hier de waarde niet moeten aantonen. Wat ons aanbelangt is dat Abraham dat partiële ook op de overdracht toepast en de capaciteit tot liefde als een soort constitutionele mogelijkheid tot genezing uit losmaakt. Twee gegevens rijzen op: de Sexualübertragung ligt aan de grondslag van de Objektliebe en de capaciteit tot overdracht is de maat van de toegang tot de werkelijkheid. Waar het genetisme steunt op een formele ontstaansorde in het subject, gaat het Abrahamiaans perspectief uit van een finaliteit die driftmatig zou zijn en zou leiden tot het uitrijpen van een Object met hoofdletter in een objectale fase. Dit heeft snel geleid tot een grove opdeling tussen pregenitaal en genitaal karakter waarbij het pregenitale met alle minder goede aspecten wordt overladen ( projectie, irrealisme, autisme, weerstanden, isolering van het object, possessiviteit, enz..) terwijl de driften in het genitale teder, grootmoedig en liefhebbend zouden zijn en er op alle mogelijke vlakken rekening met het object, met de sociale eisen en dies meer wordt gehouden. Daarenboven wordt het Ik in de genitale liefde niet bedreigd door objectverlies, zo stabiel als het is blijft het onafhankelijk van zijn objecten. Abraham noemt het de hoogste evolutie in de relatie tussen subject en object.
Met een "berquinade" verwijst Lacan naar een auteur van rozenwaterromans uit de achttiende eeuw, ene Berquin. Hoe men "se taper le derrière au lustre" best zou vertalen, is mij niet duidelijk: het komt mij voor als een samenteekking van verschillende zegswijzen zoals "se taper le cul parterre" (voor uitbundig jolijt, dolle pret) "s'envoyer en l'air" (voor seksueel genot) .

5. (pp. 606-607)
Als Abraham verder het verzamelen als een typische uiting van object-relatie voorstelt, moet men zich toch afvragen of dit niet eerder te maken heeft met een impasse van het verlangen in zijn ontstaan.
Dat het object gebroken en gedeeld is, is misschien niet noodzakelijk pathologisch en wat heeft die hymne aan de genitale harmonie vandoen met de werkelijkheid? Moeten we Oedipus uit onze ervaring bannen, waar hij precies door Freud werd ingevoerd om de hinderpalen en de Erniedrigungen uit te leggen die in het liefdesleven schering en inslag zijn? Moeten wij Eros, de zwarte god, vermommen als een lam van de Goede Herder?
Dat er sublimatie in het spel is, moet toch niet leiden tot het verwarren van de sublimatie en het volmaakt orgasme, maar moet eerder aanzetten tot het verder bestuderen van de sublimatie op zich. Het waanachtig normalisme van de genitale relatie is een nieuwe last voor de mensheid!
Overigens is de psychoanalyse geen ars amandi.

6. (pp. 607-609)
De derde zijde die de pyramide van de heresie omtrent de overdracht poogt te sluiten is de volgende: als de overdracht moet leiden tot de realiteit waarvan de analyticus de representant is, en als het de bedoeling is een Object tot rijping te brengen, dan rest de analysant slechts één object, de analyticus. Vandaar de derde vergissing, de weg van de eenheid, met name de intersubjectieve introjectie die zich in een duele relatie installeert: introjectie bij Ferenczi, identificatie met het Über-Ich van de analyticus bij Strachey, terminale narcistische transe bij Balint. Noteer de mystieke vereniging.
Het belang dat het fantasma van het fallisch verslinden van het beeld van de analyticus krijgt gaat hand in hand met een leiding van de kuur die geresumeerd wordt in het behouden van de juiste afstand in de duele relatie.
De juiste afstand tussen de patiënt en de analyticus als object.
De geprivilegieerde functie van de fallus als betekenaar [dit is een sleutelbegrip: Lacan stelt hier, voor het eerst, dat de fallus een betekenaar is] wordt hier geïllustreerd, zij het op een blinde wijze omdat alles onder een duele relatie verpletterd wordt. De aard van de symbolische inlijving wordt zodoende ontkend en men kan enkel nog imaginaire effecten waarnemen: men moet het plan van een huis niet kennen om met de kop tegen de muren te lopen, wel integendeel. Als men zich tot een imaginaire relatie tussen de objecten beperkt, rest enkel de dimensie van de afstand om enige orde te scheppen.
Dit richt Lacan tot Bouvet.
Van de afstand de enige dimensie maken waarop de relatie van de neuroticus tot zijn objecten speelt leidt tot onoverkomelijke tegenstrijdigheden. Te veel en te weinig afstand worden gelijkwaardig. De techniek van het rapprocher en zelfs het herleiden van de afstand tot nil krijgt een obsessionele kleur en mondt uit in een theoretische paradox.
Dat dit in een casus leidde tot een onoverkomelijke (homoseksuele) enamoratie bij een dwangneuroticus - die optimistisch genoeg een transitoire perversie werd genoemd - wijst er op dat men er beter aan doet in de object-relatie niet te veel aan het touw van de nabijheid te trekken.
Hier wordt ook de vraag naar het genot aan de orde gesteld.
Trekken aan het touw van de nabijheid roept het gevaar van acting out op.
Met psychotici kan men stellen dat (het hanteren van) de afstand een bewerking van de aanwezigheid inhoudt.

7. (pp. 609-611)
Er is geen grens aan de vervlakking van de techniek als men er de conceptuele basis van wegneemt. Zo is er het voorbeeld van een wilde analyse waarin het vermogen de analyticus te ruiken als een gelukkige uitkomst van de overdracht werd beschouwd. Zoiets zou Alfred Jarry [cf. Le père UBU & UBU roi] met vreugde hebben vervuld… de geur is inderdaad, de smaak buiten beschouwing gelaten, het enige zintuig dat toelaat de afstand tot nul te herleiden. Dit als leidraad voor de leiding van de kuur gebruiken is echter zeer twijfelachtig.
Een casus wordt aangehaald die vroeger besproken werd. Het gaat om een acting out van een patiënt die de fobie, verbonden met de fantasma's rond de fallische moeder, omzet in een voyeuristische transitoire perversie door het observeren van een urinerende vrouw doorheen een kier in een toilet. De urinegeur speelt een rol in de casus. De analytica is niet zonder talent, maar is te dicht bij de werkelijkheid en de biografie gebleven zonder voldoende in te gaan op de ontcijfering van het onbewuste.
Dit is een casus van Ruth Lebovici. Haar leiding van de kuur ging teveel de kant van de heropvoeding op.
Cf. ook hfdstk 5 in Sém. IV
Cf. ook Zenoni in Quarto nr. 26
Cf. ook Cours XV uit "Silet" van J.A.M.

8. (pp. 611-612)
Het gaat er hier niet om iemand de steen te werpen, maar wel om de analytici te waarschuwen voor de verglijding van hun techniek van zodra ze de plaats miskennen waar de effecten plaatsgrijpen.
L'orientation de la cure: pointer vers le rien, restaurer l'objet du manque (c'est-à-dire selon le désir et non pas selon les pulsions. Lacan résorbe là le pulsionnel dans le signifiant. Plus tard l'objet a ne sera plus un signifiant.
Genetisch onderzoek en observatie van kinderen staan niet los van een analytische inspiratie en we hebben er zelf in ons onderwijs over de object-relatie op gewezen hoe observatie leidt tot de notie van transitioneel object (Winnicott) als sleutel voor de genese van het fetisjisme.
Wat we echter willen aanduiden is dat onderzoekers door de ervaren impasses om hun handelen authentiek te vatten vervallen in het doordrukken van macht. Die machtsuitoefening komt in de plaats van de relatie tot het zijn waar het handelen plaatsgrijpt waardoor de ware middelen ervan vervallen, namelijk het spreken. Het zijn wordt zo tot werkelijkheid verheven met miskenning van het discours dat op dat vlak heer en meester is.


IV. Comment agir avec son être (pp. 612-619)
Hoe handelt men met zijn zijn

ethische dimensie (het goed handelen) klinkt hier in door en dit hoofdstuk is een aanzet tot het seminarie over ethiek (cf. ook pag. 615, §5).

1. (pp. 612-613)
De vraag omtrent het zijn van de analyticus rijst reeds heel vroeg, en wel bij Ferenczi, voor wie de introjectie van de persoon van de arts door de patiënt leidt tot een duo in wederkerigheid, waarbij de analyticus aan het eind zelf zijn lijden in het achtergelaten worden toegeeft.
Être laché comme un objet et en pâtir comme un sujet.
Cf. ook : pour le névrosé l'objet est chez l'Autre tandis que le paranoïaque l'a dans sa poche (il est lui-même l'objet de l'Autre).

2. (pp. 613-614)
Moet men zo ver gaan om het "manque à être" - het gebrek aan zijn, het manco - van het subject te erkennen als centraal in de analytische ervaring.
De Engelsen hebben het in hun koele objectiviteit erkend. Conferatur Ella Sharpe, die het door haar stijl en door haar schrijverschap kon lezen. Zij was het ook die van de therapeut een literaire bagage eiste.

3. (p. 614)
Toch zijn het ook weer de Engelsen die het scherpst het einde van de analyse hebben gedefinieerd door de identificatie van het subject met de analyticus, zij het dat men van mening kan verschillen of het om het Ik of het Über-Ich gaat. Bij gebrek aan inzicht in het onderscheid tussen het symbolische, het imaginaire en het reële valt het niet mee Freuds structuur van het subject te ontwaren.
Het is te wijten aan de fantasmatische objecten die Melanie Klein naar voren schoof en die theoretisch enkel als identificaties zijn te begrijpen: die objecten, partieel of niet, maar alleszins betekenend, is men naargelang de plaats die zij in het fundamenteel fantasma bekleden. De wijze van identificatie toont de pathologische helling langswaar het subject gestuwd wordt in een wereld waarin zijn behoeften gereduceerd zijn tot ruilwaarden.
Mortification: versterving?
In het verlengde van zijn kritiek op Melanie Klein gaat Lacan in dit onderdeel telkens de betekenaar invoeren - c'est le moment où Lacan significantise la jouissance: les objets sont des signifiants.
Een behoefte die geen ruilwaarde is, is belangeloos, dit wil zeggen dat zij een verlangen is.

4. (pp. 614-615)
Het lijkt er op dat de analyticus, wil hij het subject kunnen bijstaan, van die pathologie gespaard moet blijven. Vandaar dat men zich hem als een gelukkig mens voorstelt, dit gebiedt het gezond verstand.
Maar waar vindt men de maat van zo'n geluk dat zelfs een politieke factor is geworden?
Er moet een ethiek geformuleerd worden die Freuds veroveringen met betrekking tot het verlangen integreert: en wel om aan haar top het vraagstuk te plaatsen van het verlangen van de analyticus.

5. (p. 615)
Analytici zijn er toe gekomen te denken dat begrijpen het doel op zich is en dit begrip het happy end van de affaire. Het is integendeel vaak beter niet te begrijpen om te kunnen denken, wat zelfs het uitgangspunt van de behaviouristen was - wij zwelgen er wel eens in dat zij zich bediend hebben van wat wij wel begrepen.
Wat wij op moreel vlak kunnen produceren, wordt geïllustreerd door de notie van oblativiteit: een dwangneurotisch fantasma, alles voor de ander, maar zonder de erkenning van de angst die de Ander als niet-gelijke ons inboezemt.
Dit gaat nogmaals in tegen de eerder aangehaalde wederkerigheid.

6. (p. 616)
We stellen ons niet voor de analytici te leren wat denken is. Ze weten het wel, maar ze hebben het van de psychologen geleerd: denken is een poging tot handelen, zeggen ze dan, een val waarin ook Freud trapte.
Entendement ? comprendre

7. (pp. 616-617)
De analyticus is de mens tot wie men spreekt, en wel vrijuit spreekt. Wat wil dat zeggen?
Alwat men over de vrije associatie kan zeggen is slechts psychologiserende aankleding: niets is inderdaad minder vrij.
De onvrijheid van het subject is dat zijn associaties hem leiden tot een vrij en vol spreken dat hem een kwelt. Niets is minder te vrezen dan dat men iets zou zeggen dat waar is: wat gebeurt er als iets zo waar is dat het niet meer in twijfel kan worden getrokken?
Is dit de werkwijze van de analyse: een vooruitgang van de waarheid?
Ons horen richt zich voorbij het discours. Horen en niet ausculteren. Wat ik beluister hoort tot het begrip. Maar dit horen dwingt mij niet tot begrijpen: wat ik hoor blijft een discours, zelfs al is het een tussenwerping. Als ik begrijp, ben ik er zeker van mij te vergissen, daarom antwoord ik ook niet.
Het spreekt vanzelf dat ik de spreker frustreer. Waarom? Omdat hij mij iets vraagt: precies een antwoord, woorden. Maar zijn vraag is wezenlijk onovergankelijk, zonder object en heeft niets meer vandoen met zijn oorspronkelijke vragen zoals genezing, zelfkennis, kennis van de analyse, erkenning als analyticus, maar is zelfs zijn vraag niet meer aangezien ik hem heb voorgesteld te spreken: zo heb ik gerealiseerd wat men in de handel makkelijker zou willen kunnen, met een aanbod een vraag oproepen.

8. (pp. 617-618)
Het is echter een radicale vraag.
Cf. La Cause freudienne 28, artikel van Eydoux over Macalpine.
Macalpine zag terecht de analytische regel als motor van de overdracht, alleen vergiste zij zich door te denken dat de afwezigheid van objecten de regressie opende (in analyse met kinderen zijn nogal wat objecten nodig).
Het is langs de vraag dat het verleden zich opent en dat de analytische regressie to stand kan komen. Regressie betekent niet het kind uithangen - als dat gebeurt ziet het er niet zo best uit - maar wel de terugkeer van betekenaars uit sinds lang vervallen vragen.

9. (p. 618)
Dat de analyticus niets geeft - liefde is geven wat men niet heeft, maar zelfs dat geeft de analyticus, die niets heeft, niet - wordt hem betaald: het zou anders weinig betekenen. De vraag wordt echter steeds herhaald tot ze zo leeg wordt dat ze uitgezuiverd is. Wat de analyticus wel geeft, is zijn aanwezigheid. Hij (ver)draagt de vraag om de betekenaars van de frustratie te laten verschijnen.
In de kapittels 8-11 kruisen twee draden elkaar voortdurend: die van de vraag en die van de identificatie.
Cf. Sém. IV over frustratie en pag. 252 van de Écrits (Fonction et champ…)
" Rien pour rien " : dans le don d'amour est donné pour rien ce qui ne peut être que rien. La demande intransitive ne vise que le don.

10. (pp. 618-619)
De primaire identificatie grijpt plaats in de oudste vraag, bewerkt door de moederlijke almacht: zij die de behoeftenbevrediging vasthaakt aan het betekenaarsapparaat en de behoeften versnijdt en filtert.
Die behoeften worden evenals de betekenaar in een dubbel register geordend: synchrone opposities, diachrone substituties en combinaties; de taal ordent elke intermenselijke relatie.
Cf. Sém. IV: distinction entre le don comme signe d'amour et l'objet qui est objet de satisfaction. La première frustration concerne le don (d'amour).

11. (p. 619)
De drijfkracht van de identificatie met de analyticus moet men dus niet ver zoeken: het is altijd een identificatie met betekenaars.
Doorheen de analyse komen alle articulaties van de vraag van het subject aan bod.Wat de hypothetische permissiviteit van de analyse betreft: je hebt geen speciaal politiek systeem nodig om te maken dat wat niet verboden is, verplicht wordt. Analytici die door de frustratie en haar sequellen gefascineerd zijn, stellen zich suggestief op en herleiden het subject tot het hernemen van de vraag: de zogenaamde emotionele heropvoeding.
Goedheid is ongetwijfeld nodig, maar vermag niet te genezen wat ze zelf heeft aangericht: zelfs de meest verwrongen opvoeding gebeurt om bestwil.
Een analytische theorie kan gericht zijn op de vrees: het wordt een praktijk van het meedogenloos Über-Ich dat het subject de riante wereld toont en zegt "doe maar, nu ben je'n zoet kind!"


V. Il faut prendre le désir à la lettre (pp. 620-642)
Men moet het verlangen letterlijk[of ook: ernstig] nemen

Waar I tot en met IV kritische hoofdstukken zijn, gaat Lacan hier zijn programma ontvouwen als antwoord op zijn eigen kritiek.

1. (pp. 620-621)
Een droom is maar 'n droom, zegt men alsof Freud er het verlangen niet had in onderkend. Het verlangen, niet de Wunsch of de Wish in Engelse vertaling.
Het verdient te worden onderstreept dat Lacan "Wunsch" door verlangen, "désir" vertaalt.
Wensen kunnen zelfs vroom zijn, nostalgisch, vervelend of grapjasserij.
Conferatur de droom van de dame om te bewijzen dat Freud ongelijk had met zijn theorie van het verlangen: het volstaat voor hem om er het verlangen hem tegen te spreken in te onderkennen. Zoals een strafdroom het verlangen naar het strafbare kan uitdrukken.
Als we Freuds theorie ernstig nemen, begrijpen we ook waarom hij besluit dat een bepaalde droom bij een hysterica het verlangen uitdrukt een onvervuld verlangen te hebben. Het gaat hier om een machtsverheffing van het verlangen: het verlangen naar een verlangen of m.a.w. een verlangen betekend door een verlangen (de kaviaar-gerookte zalm-sequens).
Metafoor en metonymie worden ook hier reeds aangehaald.

2. (pp. 621-623)
Alles heeft zijn plaats in Freuds werk en vat constant samen wat de Traumdeutung ons leert over de verhouding tussen het verlangen, het merkteken van de taal dat het freudiaans onbewuste specificeert en onze opvatting van het subject doet verschuiven.
De fundamentele tegenstelling tussen betekenaar en betekende wordt hier duidelijker met de principes van de macht van de taal.
De wetten ervan zijn
- substitutie van een term door een andere om een metaforisch effect te bekomen;
- verbinding van een term met een andere met een metonymisch effect tot gevolg.
Toegepast op de zalm-kaviaar-droom wordt deze een metafoor voor het verlangen. Rest de vraag wat een onvervuld verlangen in het onbewuste betekent.
De droom is niet het onbewuste, maar de koninklijke weg erheen.
Als het verlangen als onvoldaan wordt betekend, is het door de betekenaar kaviaar; maar van zodra het zich als verlangen in de kaviaar invoegt, wordt het verlangen naar kaviaar zijn metonymie.
De kern is dat het verlangen de metonymie van het gebrek aan zijn (manque à être) is.
De droom wordt opgevat als metafoor van het verlangen.

3. (p. 623)
Met de Traumdeutung kan men niet zeggen dat Freud de psychologische problemen van de droom behandelt (tijd, ruimte, sensoriële aspecten, kleur, geur, gewicht, enz…) ook al raakt hij die wel eens aan. Zeggen dat de Freudiaanse doctrine een psychologie is, is een grof misverstand.
Wat Freud in de droom aanbelangt is de opbouw, de aanmaak, precies wat wij de talige structuur noemen (aan de hand van elementen die na Freud door de Saussure zijn aangereikt). Hoe Freud hierin voorging ligt aan zijn ontdekking van de vloed aan betekenaars waarvan het subject geen meester is.
Het verlangen onderwerpt wat de analyse subjectiveert.
Mijns inziens staat "wat" hier in wezen voor "het subject". Deze zin is overigens zwaar programmatisch: het verlangen is slechts door de duiding te beanderen.

4. (pp. 623-624)
Maar voor wie onthult de droom zijn betekenis - die vóór zijn ontcijfering aanwezig is -vóór de komst van de analyticus? De droom is er ten dienste van de erkenning van het verlangen.
De droom is verlangen te slapen (een narcistische terugtrekking). Als het verlangen de behoefte ontmoet, ontwaak "ik".

5. (p. 624)
Een droom is toch maar een droom en hij wordt terzijde geschoven ten voordele van de bevrediging der ware behoeften, zeggen sommigen. Alleen moeten ze zich dan met de negatieve therapeutische reactie behelpen en met de herhalingsdwang om de wildgroei aan symptomen te verklaren. Men geneest dan niet omdat men zich herinnert, maar men herinnert zich omdat men geneest, stellen die dan: de vermenigvuldiging der symptomen is dan geen probleem meer, het is alleen maar de vermenigvuldiging der analytici die hun aanbelangt.

6. (pp. 624-625)
Een droom is maar een droom en, volgens een collega die zelfs onderwijs verstrekt, een productie van het Ik. Je zal dus wakend maar verder dromen.
Sacha Nacht
De hoger aangereikte kaviaar-zalm-droom is wat dat betreft heel andere tabak. Onze spirituele hysterica - voor wie haar echtgenoot niets te wensen overlaat - wenst niet alleen bevredigd te worden voor haar echte behoeften: ze wil er ook andere waarvan ze zeker is dat ze niet bevredigd worden. Wat verlangt de spirituele slagersvrouw dus? Kaviaar. Maar dat is precies een weinig beloftevol antwoord, want kaviaar is precies ook wat ze niet wil.

7. (pp. 625-626)
Verre van door die impasse te worden ingesloten, vindt de spirituele hysterica er de sleutel naar de vrijheid in, de opening naar het veld van het verlangen.
Zo antwoordt de droom van de beenhouwersvrouw op de vraag van haar vriendin van wie ze zich afvraagt hoe haar man - de beenhouwer die van ronde vrouwen houdt - er met zoveel lof kan over spreken. De vraag naar een diner loopt dus op een sisser af: wat als de viendin zou verdikken om haar man te kunnen bevredigen! Een nieuw probleem is hiermee aan de orde gesteld: de hysterische identificatie.
De beenhouwerin is dus eerder geïnteresseerd in het tekort dan in de bevrediging. Overigens zit ook de beenhouwer met een onvervuld verlangen: zijn belangstelling voor de magere vrouw diehij precies niet kan bevredigen omdat zij onbereikbaar is.
De hysterische identificatie is geen nabootsing: een derde is in het spel. De beenhouwerin identificeert zich niet zomaar met de andere vrouw, maar met de man (die gecastreerd is).
Alles is hier te lezen als een opeenvolging van metaforen:

 

Demande D
désir d

8. (pp. 626-627)
Het verlangen een diner te geven mislukt. Hoezo? De droom is toch de realisatie van een verlangen?
Analytici hebben al lang opgegeven zich daarmee bezig te houden. Ze vereenzelvigen het verlangen van hun patiënten met hun behoeften en maken de zaak eenvoudig door die behoeften met de hunne gelijk te schakelen.
Die zalm midden op tafel, een fallus ook al valt hij wat mager uit. Is dit niet de ultieme identificatie met de betekenaar van het verlangen?
Moeten we deze hele bewerking opzetten om uit te komen bij het castratiecomplex? Het is alleszins wat Freud deed en het is alleszins beter dan te blijven aanmodderen in de overdrachtsneurose om aan het einde de patiënt weg te wuiven met de vraag dat hij zo vriendelijk zou zijn zijn rommeltje mee te nemen.
De ultieme identificatie met de betekenaar van het verlangen: de fallus zijn, maar ternair gemedieerd [= niet-psychotisch]

9. (pp. 627-628)
Het verlangen is wat oprijst in het interval dat de vraag aan deze zijde van zichzelf opent, op voorwaarde dat het subject er de betekenende keten van articuleert, zijn manco aan het licht brengt met de vraag dat de Andere het zou aanvullen, dit als de Andere, plaats van het spreken, ook de plaats is van dit manco.
Zelfs als men het articuleert, blijft er een tekort: de betekenaar voert het tekort in.
Wat de Andere moet aanvullen en wat precies is wat hij niet heeft aangezien ook hem het zijn ontbreekt, dat is precies de liefde, maar evengoed de haat en de onwetendheid.
Het is ook, de passies van het zijn, wat elke vraag oproept voorbij de behoefte die er in gearticuleerd wordt, en het is ook wat het subject des te meer onthouden wordt naarmate de behoefte wordt bevredigd.
De bevrediging van de behoefte komt naar voren als het bedrog waarop de vraag naar liefde te pletter loopt.
Ook kinderdromen tonen miraculeuze of verboden objecten.

10. (p. 628)
Het kind dat liefdevol volgestopt wordt met verstikkende pap, zal voedsel weigeren.
Door te weigeren moeders vraag te bevredigen eist het kind dat de moeder een verlangen buiten hem zou hebben, precies omdat die doorgang naar het verlangen haar-en-hem ontbreekt.
Dit is ontzettend actueel, meer en meer zelfs! Cf. de proliferatie van (ook intellectuele) objecten waarmee kinderen volgepropt worden. De uitweg van de anorexie is dan de pathologische oplossing, net zoals ook de toxicomanie een soort weigering kan inhouden.

11. (pp. 628-629)
Dus:
- het verlangen is voor het subject onderworpen aan de voorwaarde dat het dit verlangen langs de kronkelwegen van de betekenaar laat gaan;
- de notie van grote Andere moet gegrondvest worden als de plaats waar het spreken zich ontvouwt (Freuds andere Schauplatz uit de Traumdeutung);
- dan is de onontkoombare conclusie dat voor de mens als talig dier het verlangen het verlangen van de Andere is.
Dit is een heel andere functie dan die van een identificatie, van een overnemen van de insignes van een andere: het subject moet zijn verlangen vinden in hetzelfde gat dat door de betekenaar is geopend in hen die voor hem de Andere voorstellen naarmate zijn vraag aan hen onderworpen is.
Een formule:

 

Demande -> désir of D -> d

 

besoin

Vandaar dat het verlangen niet door een "ik" in de droom wordt uitgesproken: het verlangen is geschakeld op de plaats van de Andere, het is discours.
Dit is het antwoord op het begin van punt 6 uit dit hoofdstuk: het gaat niet om het ik, maar om het subject.

12. (pp. 629-630)
Het verlangen doet zich voor voorbij de vraag - waar deze het leven van het subject aan haar voorwaarden onderwerpt en de behoefte sorteert -, maar het verdiept zich ook aan deze zijde ervan - waar de onvoorwaardelijke vraag naar aan- en afwezigheid het manco, het tekort, het "manque à être" oproept onder de drie vormen van het niets dat de grond is van de vraag naar liefde, van de haat die het zijn van de ander ontkent en van het onzegbare dat in de vraag zelf ongeweten blijft. In deze aporie is het verlangen een absolute voorwaarde.
Het verlangen is minder pure passie van het betekende dan wel pure werking van de betekenaar die stilvalt als het levende teken wordt en die werking betekenisloos maakt.
In dat moment van klieven spookt een lillend stuk vlees rond: het pond vlees dat het leven betaalt om er de betekenaar der betekenaren van te maken, als zodanig onmogelijk aan het imaginair lichaam terug te geven; het is de verloren fallus van de gebalsemde Osiris.
cf. de mythe van Isis en Osiris (van de in 14 stukken gesneden Osiris vond Isis er 13 terug en stelde het lijk samen om het nieuw leven in te blazen, evenwel ontdaan van één stuk, de fallus).

13. (pp. 630-633)
De functie van die betekenaar moet men kennen als - Freud had het gemerkt - de sleutel tot het einde van de analyse: geen enkele kunstgreep kan hem vervangen.
Ter illustratie de casus van een dwangneuroticus bij wie men zich in de lange kuur niet vergenoegd had verstoppertje te spelen met zijn imaginaire agressie, maar hem opmerkzaam had gemaakt op de plaats die hij innam in het afbraakspelletje dat een van zijn ouders op het verlangen van de ander had beoefend door hem zijn maneuver te tonen waarmee hij de Ander constant in bescherming nam: hij putte zich in de overdracht uit de ander van de Ander te onderscheiden en slaagde erin zich in het hokje van de verveelde Ander te nestelen om het spelletje tussen de kleine anderen (de kleine a en het Ik, zijn schaduw) te regisseren.
Het verlangen van de Ander vernietigen om te Ander te behoeden voor het tekort, voor de castratie. De haat van de dwangneuroticus is gericht op het verlangen van de Ander (vise le désir de l'Autre) - die haat wordt door een reactieformatie omzwachteld.
Op het einde van de rondgang in het architecturaal labyrint van de dwangneurose speelt het subject met ons een spelletje "bonneteau" - volgens van Dale "een twee drie klaveraas", een verboden raadspelletje met kaarten - dat de particuliere structuur van zijn verlangen verraadt. De man is impotent bij zijn minnares en stelt haar voor dat ze met een andere man zou slapen vanuit zijn weten omtrent de rol van een derde in een koppel. Daarop droomt zij en vertelt haar droom aan de patiënt: ze heeft een fallus, voelt er de vorm van onder haar kleren, wat niet belet dat ze ook een vagina heeft en verlangt dat die fallus in haar vagina zou komen. Na het aanhoren van deze droom wordt onze patiënt op slag weer potent.
Het onbewuste van de minnares geeft een duding voor de analysant. Cf. "H2O" van J.-A.M.
Men zal geraden hebben dat de vraag van de man aan zijn minnares een vraag was die al lang aan ons was gericht, met name om zijn verdrongen homoseksualiteit te bevestigen, wat wij niet hebben gedaan.
Net zo min heeft de minnares dit gedaan: in haar droom komt geen derde voor.
Wij merken op dat de weigering van de castratie in eerste instantie de weigering is van de castratie van de Ander, van de moeder eerst en vooral.
Het bewijs dat het onbewust verlangen het verlangen van de Ander is ligt hier voor: de droom is er om het verlangen van de patiënt te bevredigen voorbij zijn vraag. De gelegenheid kan te baat worden genomen om de patiënt te laten vatten hoe de fallus de functie van betekenaar heeft in zijn verlangen. Door over haar droom te spreken stelt de minnares zich voor als is zij in het bezit van een fallus. Dit volstaat echter niet: als begeerlijk object zou zij het subject toelaten in zijn ontsnappingsspelletje van de metonymie te blijven draaien. Voor onze patiënt doet het er niet toe een fallus te hebben want zijn verlangen is er een te zijn. Het verlangen van de vrouw geeft aan zijn verlangen voorrang doordat zij toont wat zij niet heeft.
Op het eerste gezicht zou men genoegen kunnen nemen met te wijzen op de castrerende moeder en het klopt in deze casus dat de moeder reageerde tegen het vurige verlangen van de vader, waarvan de patiënt de imago heeft overgenomen.
Maar er is meer: zijn minnares zegt hem dat het hebben van een fallus in de droom niet belet dat zij naar de fallus blijft verlangen. Het manco is geraakt: het manco is er doordat het zijn altijd elders is zodat het verlangen een moeilijkheid is.
De garantie dat de droomster een fallus heeft en de zijne dus niet zal bedreigen moet ons niet van de zaak afleiden. Die zaak is precies dat de garantie zo zwaar is omdat ze zich in een teken moet uitdrukken: de garantie is er door het laten zien van dat teken op een plaats waar het niet kan zijn. De voorwaarde voor het verlangen van de dwangneuroticus ligt in het merkteken dat het ook bederft door de oorsprong van zijn object: namelijk dat het gesmokkeld is.
Il faut traverser l'identification au phallus pour pouvoir désirer.
Contrebande : équivoque met de impotentie
Het gesmokkeld verlangen is heel belangrijk in de dwangneurose

14. (pp. 633-636)
Het belang van het handhaven van de plaats van het verlangen in de kuur maakt het nodig dat men deze plaats zou oriënteren in verhouding tot de effecten van de vraag, die heden enkel geconcipieerd worden voor de grondslag van de macht van de kuur.
De centrale plaats van de genitale act als ontdekking van de analyse maakt verder dat men er nooit aan gedacht heeft toe te geven aan de illusie van de patiënt dat het faciliteren van zijn vraag naar bevrediging van een behoefte zijn probleem zou oplossen.
Zijn spreken is voor het subject een boodschap omdat het uitgaat van de plaats van de Ander. Het zelfde geldt voor zijn vraag.
"Tu es" en "tuer".
Het verlangen ligt, zelfs al schemert het doorheen de vraag, steeds voorbij die vraag. Het ligt ook aan deze zijde van een andere vraag waarin het subject zijn zijn voorstelt in het veld van de ander en het zo terugkrijgt.
Tussen vraag en behoefte
De eerste metaforische wissel is dat de vraag zich aan de behoefte komt substitueren en dat de drift enkel doorheen de betekenaar bereikbaar is; cf. de "graphe".
L'objet de jouissance
À quelle sauce l'Autre va-t-il me manger?
Het subject ondergaat de "refente" of Spaltung omdat hij slechts subject is in de mate dat hij spreekt; absolutie voor het verlangen is er niet. Vandaar de doorstreepte S voor het subject.
De regressie steunt slechts op de betekenaars (oraal, anaal, enz…) van de vraag en raakt slechts de drift doorheen die betekenaars.
Of het nu frustreert of beloont, elk antwoord zal in de analyse de overdracht naar de suggestie terugvoeren. Er is een verband tussen suggestie en overdracht - dat is de ontdekking van Freud -, namelijk dat de overdracht ook suggestie is, maar een suggestie die slechts uitgaat van de vraag naar liefde, dit is een vraag zonder behoefte. Vandaar dat de betekenaars niet naar de behoefte moeten worden teruggeplooid.
De identificatie met het object van de vraag naar liefde is eveneens een regressie. Zij is echter anders in die zin dat zij de uitweg (exit) uit de suggestie opent door de weg van de overdracht te openen: langs die weg zullen de diverse identificaties gescandeerd worden.
De libidinale objectkeuze is geregresseerd tot een identificatie met het object (vb. kannibalisme)
Zie in de "graphe": de bovenste lijn (ligne du transfert) en de onderste (ligne de la suggestion); régression du choix d'objet à l'identification, identification au signifiant tout-puissant de la demande
De didactische analyse moet doorgaan tot dat punt waarop blijkt dat alle gearticuleerde vragen, tot en met die om analyticus te worden, identificaties waren die diende om een instabiel verlangen in stand te houden. Pas dan zal men iets opgestoken hebben over het voeren van een kuur en het plaatsen van een duiding.
Zo blijkt dat het natuurlijk is de overdracht te analyseren aangezien de overdracht zelf reeds een analyse van de suggestie is. Om het kader van de overdracht in stand te houden overheerst de frustratie de gratificatie.
Het is het verlangen dat de leiding/richting (!) van de kuur stuurt, buiten de effecten van de vraag
De weerstand van het subject, als die gericht is tegen de suggestie, is slechts verlangen zijn verlangen te behouden.

15. (pp. 636-638)
De symptoomvorming.
Freud hield voor dat dromen, lapsussen en geestigheden structureel gelijk zijn aan symptomen: de symptomen zijn overgedetermineerd.
Overdeterminering is slechts mogelijk in een talige structuur. Wat houdt dit in voor de neurotische symptomen?
Dit wil zeggen dat in de effecten van een bepaalde vraag voor het subject zal geïnter-fereerd worden door de effecten van de positie die hij als subject ten aanzien van de andere, zijn gelijke, inneemt. Dit wil zeggen dat hij zich als de regisseur kan beschouwen van de hele imaginaire captatie waarvan hij anders slechts de levende marionet zou zijn.
Het fantasma is daar de illustratie bij uitstek van en het is dus een begripsfout het tot de verbeelding te reduceren, wat de kleiniaanse school doet bij gebrek aan inzicht in de betekenaar.
meest kanttekeningen van Lieven jonckheere :
Cf. Les formations de l'ICS (sém V) & Le désir et son interprétation (sém VI)
Regisseur : door de taal, als sprekend subject of spreekwezen kan het zich op de scène van de wereld zetten

d -> objet (du désir)
S/ <> a ->d

objet dans le désir
het gedeelde subject : de oerverdringing, cf. Spaltung, opening, coupure tussen twee betekenaars
bij ontstentenis van een betekenaar is het object dat waarmee het subject zichzelf poogt aan te duiden (de imaginaire stut)

a komt in de matrijs van de fallus (de noodzaak van de castratie) =>

S/ <>a -> d
-phie

de imaginaire coupure van het object duidt de reële coupure van het subject aan en vult die als het ware op
in de psychose komt de waan de plaats van het fantasma innemen
het fantasma is de aanpassing aan de realiteit terwijl de post-freudianen precies voorhouden dat het fantasma de aanpassing aan de realiteit verstoort
cf. JAM: du symptôme au fantasme et retour
Eenmaal het als beeld in functie geplaatst wordt in de betekenende structuur, levert het onbewust fantasma geen enkel probleem meer op. In zijn fundamenteel gebruik is het fantasma dat waardoor het subject zichzelf in stand houdt op het vlak van zijn vervliegend verlangen; het verlangen vervluchtigt naarmate de bevrediging van de vraag het van zijn object ontdoet.
Hoe onbegrijpelijk zijn die neurotici toch!
mooi sarcasme
De onnozele hals noemt zoiets irrationeel waarbij hij vergeet dat Freuds ontdekking steunt op de vaststelling dat het reële rationeel is om te besluiten dat het rationele reëel is.
referentie aan Hegel
Zo kan hij stellen dat wat weinig redelijk lijkt in het verlangen een effect is van de doorgang van het rationele als reële, de taal, naar het reële waarin het rationele reeds zijn omwalling heeft aangebracht.

16. (pp. 638-639)
Het is dus de positie van de neuroticus ten aanzien van het verlangen, kortom het fantasma, dat het antwoord komt merken van het subject op de vraag, m.a.w. de betekening van zijn behoefte.
Het fantasma heeft met die betekening echter niets vandoen in de mate waarin die betekening van de Andere afkomstig is. Daarmee bevindt het fantasma zich op de terugweg van een langere lus die de vraag naar de limieten van het zijn voert en het subject dwingt zich te ondervragen over het manco waar het als verlangen verschijnt.
zie de "graphe" (ter hoogte van S de A barré)
Het is daarom merkwaardig dat de analytici het handelen zo depreciërend bekijken terwijl zij zich in een bijna experimentele situatie bevinden om het langs de acting out te benaderen, die ze helaas meestal afdoen als een herval van het subject of een fout van de therapeut.
Bevreemdende valse schaamte van de analyticus die wellicht een echte schaamte verbergt: die over zijn eigen handelen dat precies de hoogste toppen scheert als het de abjectie benadert.
De hedendaagse analyse wil de overdracht vatten langs de afstand tussen het fantasma en het door de analyticus aangepast geacht antwoord. Aangepast waaraan, als het niet aan de vraag van de Ander is? De analyticus geeft zichzelf daarmee het recht de maat voor het oordeel in zijn eigen realiteit te vinden.
Vandaar de vraag van die analytici of zij met het fantasma geen gratificatie leveren aan het subject en de analyse doen stilvallen.

17. (pp. 639-640)
Vandaar dat de analyticus van vandaag zijn patiënt in het beste geval achterlaat op het punt van zuiver imaginaire identificatie waarvan de hystericus/ca gevangen blijft omdat diens fantasma het vastkleven impliceert.
Freud worstelde er in het begin van zijn loopbaan ook mee en wou te snel die stelling doorbreken door een appel aan de liefde voor het identificatie-object.
Pas met Massapsychologie en Ik-analyse onderscheidt Freud duidelijk de derde identificatiemodus die gevormd wordt door de functie van stut voor het verlangen met een daarom indifferent object.

Identification (SF)
- incorporation orale, investissement libidinal
- id. régressive (hy, Einziger Zug) au lieu de choix d'objet
- sans investissement sexuel (collectivité, idéal du moi)

Identification (JL)
- imaginaire, stade du miroir
- oedipe : au désir de la mère, découverte de la loi du père, et
symbolisation de celle-ci
- identifications constitutives du sujet

Onze analytici van vandaag dringen echter aan: het indifferente object is precies de substantie van het object, wat leidt tot een religieus gekleurde imaginaire ontboezeming met een oblatieve analyticus.
Zij houden voor zich door het Ik te laten helpen, maar dringen het subject daardoor nog verder in de aliënatie. Psychologen zeggen het immers al lang met andere woorden: als het verlangen de metonymie is van het manco, dan is het Ik de metonymie van het verlangen.
De analytici van vandaag houden het bij een identificatie van de patiënt met hun eigen sterke ik, al twijfelen ze soms wel tussen Ik en Boven-Ik.
Freud had het voorzien in Massapsychologie door aan te tonen hoe een onbetekenend object tot ideaal kan worden verheven in de genese van de leider.
Niet te verwonderen dat de analytische psychologie meer en meer afglijdt naar de groepspsychologie en dito therapie.
Het is te merken in de analytische groepsvorming: hoe de analysanten van een zelfde didacticus verbonden zijn door een trek die een heel secundaire rol speelt in hun economie, maar toont waar hun analyticus zijn werk niet heeft gedaan.

18. (pp. 640-641)
We staan dus voor een macht die ter beschikking staat van een blinde leiding. De verleiding het goede te doen terwijl het hier om de waarheid gaat.
Dit is een allusieve en compacte samenvatting van de tekst, "een psychoanalytisch manifest" noemde Jos de Kroon het
Hoe de rechtgeaarde leiding van de kuur definiëren?
We merken op:
1. dat het spreken alle macht heeft, de speciale macht van de kuur;
2. dat het er niet om gaat het subject naar het vol spreken noch naar het coherent discours te leiden, maar wel hem de vrijheid te laten het te proberen;
3. dat deze vrijheid precies is wat het subject het slechtst verdraagt;
4. dat de vraag precies is wat in een analyse tussen haakjes wordt geplaatst met uitsluiting van de mogelijkheid dat de analyticus ook maar aan een vraag zou voldoen;
de abstinentieregel
5. dat het subject naar het erkennen/bekennen van zijn verlangen wordt geleid van zodra en op voorwaarde dat er geen hinderpalen voor die erkenning worden opgeworpen;
6. dat de wee

rstand tegen die erkenning slechts verbonden is met de incompatibiliteit tussen verlangen en spreken.
cf. sém VII & VIII
Men voelt hoe de analyticus blootstaat aan de verleiding toch een beetje op de vraag te antwoorden. Meer zelfs, hoe kan men het subject beletten hem dat antwoord toe te schrijven onder de vorm van de vraag naar genezing?
Hoe komen we af van de tuniek van Nessus die we ons zelf hebben aangeweven: namelijk dat de analyse aan alle desiderata van de vraag beantwoordt door algemeen verspreide normen? Hoe de Augias-stal van de analytische literatuur uitmesten?
Tot welk zwijgen moet de analyticus zich nu verplichten om boven dit moeras de geheven vinger van de Heilige Johannes te laten zien, opdat de duiding de onbewoonde horizont van het zijn zou terugvinden waar haar allusieve kracht zich moet ontplooien?

19. (pp. 641-642)
Aangezien het er om gaat het verlangen letterlijk te vatten dat door de netten van de letter wordt gedetermineerd, moeten we dan niet eisen dat de analyticus geletterd zou zijn?
Een indicatie is het aandeel van de literatuur in Freuds werk.
Hoe moet het verder met het zijn van de analyticus ten aanzien van zijn eigen verlangen?
Het beeld van de brave Weense burgerman gaat niet op als men het oeuvre bekijkt en merkt welk een stroom van vuur het is waarmee Freud door zijn dromen te openen de band met het zijn heeft onthuld en het spel van de menselijke passie laat oplichten.
Wie is zoals die kamergeleerde (schrijftafelgeleerde) tekeergegaan tegen hen die het genot in beslag nemen en de last van de behoeften op andermans schouders laden?
Wie heeft met zoveel moed als deze clinicus - die zich bezighield met het dagelijkse van het lijden - het leven ondervraagd naar zijn zin, niet om er zich van af te maken met een makkelijk besluit dat het er geen heeft, maar wel dat het er maar één heeft, en wel waar het verlangen gedragen wordt door de dood?
Man van verlangen die van dit verlangen de weergaloze betekenaar heeft onthuld: de fallus die de neuroticus noch kan geven noch kan krijgen, het weze dat hij weet dat de Andere hem niet heeft, ofwel dat de Andere hem wel heeft, in beide gevallen ligt zijn verlangen elders, met name de fallus te zijn. Ieder mens, mannelijk of vrouwelijk, moet aanvaarden de fallus te hebben en niet te hebben uitgaande van de ontdekking dat hij hem niet is.
Hier wordt de laatste Spaltung ingeschreven door welke het subject zich met de Logos articuleert en waarvan Freud ons op het ultieme punt van zijn oeuvre de oplossing gaf van de "oneindige" analyse toen zijn dood er het woord Niets aan toevoegde.