HET
PRINCIPE VAN DE CONTROLE IN DE SCHOOL
Document
opgesteld door het Actiecomité van de School-Eén, 7 Oktober 2000
Dit
document is bedoeld als initiatie van en als bijdrage tot een politiek
debat in het hart van de internationale gemeenschap, die de School-Één
vormt. Het heeft een exact conceptueel kader, de vorming van de
analyticus in de Scholen van de AMP, en een wel omschreven politiek
kader: de diagnose van de Algemeen-Afgevaardigde aangaande de gevolgen
van de logica van de desegregatie, geïntroduceerd door de deregulering
van de praktijk, en de beslissing om voortaan een politiek te voeren
die dat tegengaat.
1
- POLITIEK VERSUS REGULERING
Onder
de regels, die ten grondslag liggen aan de oprichting van de School-Één
en waarop zij zich baseert om haar doeleinden te bereiken, dient
het principe van de controle te worden geplaatst.
Evenals
Freud plaatst Jacques Lacan de controle binnen het domein van de
praktijk en de leer van de zuivere psychoanalyse. Anderzijds is
de verbondenheid van de School met de vorming van de analyticus
niet louter een formeel vraagstuk want het gaat om het aansnijden
van de structuur, die de analyticus en zijn vorming (analyse, controle
en onderwijs) verbindt met de garanties van de vorming (de titels
AME-AE) die de School verleent. In 1964 was Lacan van mening dat
de verantwoordelijkheid van de School werd aangegaan door de intrede
van een subject in analyse en door de consequenties van deze intrede.
Hij zegt ondubbelzinnig: 'De School, op welk moment het subject
ook in analyse gaat, dient dit feit in evenwicht te brengen met
de verantwoordelijkheid waarvan zij de consequenties niet uit de
weg mag gaan.' (J. Lacan, Acte de fondation)
Evenzo,
vanuit het besef dat de bestaande regulering van de controle in
de instituten van de IPA waren gebaseerd op politieke en bureaucratiserende
factoren en vooroordelen - op zichzelf al reden voor de schending
van de geïnstitutionaliseerde regelgeving -, stelt Lacan geen nieuwe
regulering voor. Daarmee wordt aangetoond dat er een verschil is
tussen regulering en politiek.
De
School geeft geen voorschriften, maar dat neemt niet weg dat zij
een politiek van de analytische controle moet hebben. Deze politiek
houdt niet alleen de plicht in tot de evaluatie van de vraag en
van de praktijk van de controle voor de analyticus in vorming, maar
ook en vooral de evaluatie van de gevolgen en de resultaten van
deze praktijk onder de leden van de ervaringsgemeenschap van de
School. Het Actiecomité meent dat deze politiek een ethische plicht
van de School instelt.
In
de Scholen van de lacaniaanse oriëntatie van de AMP wordt tegenwoordig
de regulering van de controle niet geschonden, en wel door het eenvoudige
feit dat er ten aanzien van de controle helemaal geen statutaire
regelgeving bestaat. Maar het kan worden vastgesteld, dat er ook
helemaal geen politiek over de controle bestaat. Het gaat erom,
los van een regelgeving, een politiek te definiëren. Dat is wat
er in de huidige situatie van de Scholen op het spel staat.
In
de 'Stichtingsverklaring' is de supervisie van psychoanalytici in
opleiding één van de drie onderafdelingen van de afdeling van de
'Zuivere psychoanalyse', die J. Lacan in deze verklaring in het
leven roept. Dit zou als tegenwicht moeten dienen tegenover het
eventuele misbruik van het basisprincipe van Lacan: 'De psychoanalyticus
autoriseert zich alleen vanuit zichzelf'.
In
de huidige mondiale context, van de School-Één, maar ook van een
wereld waarin de deregulering zich ongeëvenaard over heel diverse
gebieden heeft verspreid, moet ten aanzien van de controle een politiek
in werking worden gezet, die trouw blijft aan de ethiek van de psychoanalyse,
niet alleen om de ethiek die wij poneren, niet te miskennen - zoals
met de regulering in de stijl van de IPA gebeurt -, maar ook niet
de principes waarmee wij in onze praktijk werken.
Het
is een principieel uitgangspunt om de perspectiefverschuiving van
de controle in de Scholen te poneren als één van de instrumenten
dat kan worden aangewend om de neiging tot nivellering tegen te
gaan en om de zuivere psychoanalyse te behouden.
2
- DE VORMING EN HAAR GARANTIE
De
School reguleert de praktijk van de controle niet, en wel met goede
redenen, door J. Lacan bij de stichting van de EFP geopperd; zij
stelt geen lijst van analytici-controleurs op, dezen worden de facto
bepaald door de verzoeken die aan hen worden gericht.
Zonder
het verplicht te willen stellen, moet de School de mogelijkheid
kunnen bieden van een 'gekwalificeerde' controle voor al wie er
om vraagt. De controle maakt deel uit van de vorming en is als zodanig
een verantwoordelijkheid, die een ieder voor zijn rekening dient
te nemen; zij is ook een risico voor zover men in psychoanalyse
is en men, met de ervaring van de School, een eigen praktijk is
begonnen. Men kan het niet stellen zonder de controle, - met als
enige voorwaarde dat men leert er gebruik van te maken.
Door
de institutionele behoedzaamheid niet naar de regulering te laten
overhellen, maar naar de kant van een ethische plicht, blijven de
praktijk van de controle van de analyticus in vorming en de School
met elkaar verbonden: 'De School kan garant staan voor de verhouding
van de analyticus tot de vorming die zij verzorgt. Zij kan het en
daarom moet zij het ook.' (J. Lacan, Proposition)
In
de praktijk is er echter sprake van een paradox ten opzichte van
de vorming: de School verplicht zich tot het geven van een vorming,
die zij, wanneer het haar zo uitkomt, garandeert, terwijl het onduidelijk
is met welke middelen zij deze vorming verzorgt, die zij garandeert.
In
verhouding tot de controle is er geen enkele instantie of voorziening
die zich over de gang van zaken rond deze praktijk informeert of
erop toe ziet. Alleen de garantiecommissies, die op grond van de
effecten a posteriori een afdoende vorming garanderen, houden serieus
rekening met de reguliere praktijk van de controle als criterium
om de titel AME toe te kennen. Op het moment van toelating legt
de bevoegde Commissie het accent op het thema, als het erop aankomt
de staat van vorming van degene die tot de School wil toetreden,
te evalueren.
In
de tussentijd, die precies de daadwerkelijke tijd van vorming is,
heeft de School geen directe invloed op dit cruciale punt.
Is
het noodzakelijk dat men zich ontdoet van het ontbreken van een
institutionele regulering, van de onverschilligheid die de meerderheid
tot nu toe in onze Scholen ten opzichte van dit punt ten toon heeft
gespreid? Weliswaar hebben de garantiecommissies van de verschillende
Scholen, en ook de leden die zich met deze stand van zaken hebben
beziggehouden, dit thema als onderdeel van hun onderwijs opgenomen,
ofschoon hun observaties - bij verschillende gelegenheden herhaald
- geen enkele weerklank hebben gekregen, een weerklank waarmee zij
een institutioneel debat zouden hebben kunnen aanwakkeren of in
dit opzicht een koerswijziging tot stand zouden hebben kunnen brengen(1).
Er
heerst zwijgzaamheid rond de controle en wij moeten dat als een
probleem voor de School beschouwen, want:
a)
de controle heeft met de analyse een noodzakelijke relatie in de
doeleinden van de vorming, en haar uitoefening ontsnapt niet aan
de 'bijna bureaucratische regelmaat' die de analyse ondersteunt;
b)
anders dan de analyse, die eindig is, kan de vorming van de analyticus
worden beschouwd als zijnde oneindig, in weerklank met het verlangen
om te weten dat haar drijft; dat dit verlangen geen gemeenschappelijke
maat heeft, verhindert niet dat een ieder erin volhardt om het te
ondersteunen, om bij te kunnen dragen aan de gemeenschappelijke
zaak;
c)
zij maakt deel uit van de garanties die de School in haar doeleinden
van de vorming verzorgt. De titels van AME en AE garanderen niet
op zichzelf dat de uitoefening van de controle door dit 'rusteloze'
verlangen wordt gedreven, dat de psychoanalytische praktijk eigen
is;
d)
het is een manier om het verlangen van de analyticus te 'verbuigen',
in de grammaticale betekenis van de term, - het verlangen van de
analyticus van beide kanten begrepen: als het verlangen van de analyticus
in vorming en als vorming van het verlangen van de analyticus, aangezien
dit moet worden teweeggebracht.
e)
de School, wanneer zij de mogelijkheid geeft aan haar leden hun
praktijk bekend te maken, doet geen neutraal aanbod, maar vereist
een betrokkenheid; het feit dat zij deze praktijk niet bij voorbaat
veroordeelt, kwalificeert noch garandeert, ontslaat de aankondiger
niet van de ethische dimensie die zijn aankondiging impliceert,
wat de aankondiging een performatieve lading geeft.
f)
'De controle heeft geen enkele waarde indien ze zich beperkt tot
het regelen van de relaties van de lerende analyticus met zijn patiënten.
De controle is niets waard wanneer ze niet verder reikt, namelijk
tot zijn verhouding tot de psychoanalyse.' (J.A. Miller, Le Banquet
des analystes);
g)
het principe volgens welke de analyticus zich alleen vanuit zichzelf
autoriseert betekent niet dat de psychoanalytische effecten, voortdurend
voelbaar in onze praktijk, buiten de controle blijven.
Doordat
het vraagstuk van de controle institutionele impassen teweegbrengt,
is thans een debat erover vereist. Het is ook vereist dat haar resultaten
worden geëvalueerd met oog op de ervaring van de School. Dit houdt
precies het bijwerken van haar leer, haar praktijk en haar ethiek
in.
3
- DE STAND VAN ZAKEN ROND DE CONTROLE
Het
is heel iets anders dan de controle van 'een geval': een subject
(ik benadruk het) dat door zijn act voorbijgelopen wordt, is niet
zo erg, maar een subject dat aan zijn act voorbijloopt brengt de
onbekwaamheid tot stand waarmee wij het bloemperk van de psychoanalytici
getooid zien; - J. Lacan, Discours à l'EFP.
Het
panorama van de Scholen van de AMP toont een wijdverbreid en discreet
gebruik van de controle, met regelmaat en gedurende vele jaren,
met één of verschillende controleurs (op verschillende momenten),
waarbij het zowel om moeilijkheden van de alledaagse praktijk gaat
als het op lange termijn volgen van eenzelfde geval.
Er
bestaat echter een zekere consensus over de erkenning dat voor het
overgrote merendeel deze praktijk op onregelmatige wijze wordt beoefend.
Men maakt er eerder gebruik van door de urgentie van het geval en/of
de subjectieve urgentie van degene die er om vraagt, dan vanuit
de overtuiging dat er een noodzakelijke relatie is met de vorming
van de psychoanalyticus, met het verlangen om te weten en het verlangen
dat ieder zou moeten aanzetten tot het verifiëren van de oriëntatie
van zijn praktijk.
Heel
vaak maakt de controle het mogelijk om een bij degenen die hun vorming
beginnen veel voorkomende verwarring te constateren tussen de psychoanalyse
en de psychotherapieën.
Hierdoor
kan ook het afglijden naar een psychotherapeutische benadering worden
bevestigd bij hen die beweren psychoanalyse te doen. Deze verwijdering
lijkt te wijzen op een moeilijkheid waarvan het meest directe resultaat
is dat de beoefenaar werkt volgens regels die hijzelf niet begrijpt,
daarmee de controle reducerend tot het niveau van een technische
oefening in plaats van een wezenlijk analytisch instrument.
De
controle is geen zoektocht naar een technische oplossing, en het
is ook niet alleen maar een aanpassing van de tactiek zonder daarin
de verificatie van de strategie en van de positie van de analyticus
ten opzichte van de overdracht in te betrekken en de politiek die
toestaat om de logica van de betreffende kuur te destilleren. Men
zou dus kunnen stellen dat er een risico bestaat van het afglijden
van de analytische controle tot een psychotherapeutische controle.
Ook
kan worden bevestigd, dat de leden die al een behoorlijk analytisch
traject hebben doorlopen, heel sporadisch op controle gaan, of dat
men vanaf een gegeven ogenblik in de vorming ophoudt met de controle.
Hier stelt zich een structureel probleem ten opzichte van de positie
van de analyticus en van het verlangen om te weten, die af en toe
is bestudeerd en die het verdient om weer opnieuw met aandacht te
worden bekeken.
De
verzoeken om kant en klare controles verveelvoudigen zich, die een
dramatische situatie van de kuur proberen op te lossen; een voortdurend
veranderen van controleur; een zoektocht naar 'gespecialiseerde'
controles: gespecialiseerd in kinderen, in jongeren, in psychose,
in anorexie, enzovoorts; en ook 'politieke' controles, die worden
verondersteld bepaalde institutionele voordelen te kunnen verlenen.
4
- EEN NIEUWE DYNAMIEK
Het
debat over de beoefening van de controle, op de voorgrond gebracht
door het werk dat in het kader van de School-Één is geïnitieerd,
is op weg - zoals J.A. Miller heeft aangegeven - naar de noodzaak
om 'een theorie te formuleren van de vorming die rekening houdt
met de pas (la passe), maar die de vorming niet eenzijdig beschouwt
vanuit de pas'.
Bij
het opnieuw situeren van de praktijk van de controle in onze omvangrijke
gemeenschap en binnen het eerder genoemde kader, gaat het niet om
het formaliseren van een waakzaamheid op de controle, maar om haar
te bevorderen tot wat zij is: het voortdurende commentaar van de
analyticus op zijn act. Een instrument waarover de praktiserende
analyticus beschikt om de bijzondere benadering van het reële te
bevestigen, die door het analytische werk wordt verkregen, alsook
een plaats voor de mogelijke vaststelling van de werkzaamheid van
de psychoanalyse.
Het
gaat erom een nieuwe dynamiek van de vorming van de psychoanalyticus
in de Scholen van de AMP in beweging te zetten. Eerder dan nieuwe
regels gaat het om het 'organiseren van de contingentie'(2). Het
gaat erom de Scholen aan te sporen tot de algemene en beredeneerde
praktijk van de ontmoeting. De kuur, het kartel, het onderwijs en
de controle zélf zijn beschikbare hulpmiddelen om een vonk te vatten
van de zaak, die de psychoanalyse postuleert. Het gaat om een adequate
verhouding tot de doorkruiste Ander en om een bevestiging van de
garanties die van de Ander uitgaan. Gebruik maken van de doorkruiste
Ander om de structuur in haar geheel te vernieuwen. Het gaat om
het actief tot stand brengen van middelen om 'de libido op te wekken
voor de praktijk van de controle' (J. A. Miller) en in samenhang
daarmee geen enkele verlichting van de eisen toe te staan, die aan
de praktiserende analytici worden gesteld in de mate dat de psychoanalyse
hen daartoe verplicht.
De
nodige weerslag krijgen om bij ieder de discipline te ondervragen
die vereist is door het feit dat men zich in de psychoanalyse bevindt
en tegelijkertijd vasthouden aan het feit dat de controle aanleiding
geeft tot een verrassingseffect, tot een subjectief effect, dat
geen enkele standaardisatie als zodanig mag smoren.
Op
weg om de constante 'driftmatige' kracht(3) zeker te stellen en
intact te houden, de kracht waarvan het analytische vertoog de agens
is, overgaan tot het onderzoek en de actualisering van de functie
van de controle, dat zal bijdragen tot een versterking van de 'solidariteit
van de garanties'(4) waar de School-Één deel van uitmaakt.
Actiecomité
:
Lucia
d'Angelo (Barcelona)
Luis
Erneta (Buenos Aires)
Leda
Guimaraes (Salvador de Bahia)
Jean-Pierre
Klotz (Bordeaux)
Ronald
Portillo (Caracas)
Massimo
Recalcati (Milaan)
Paulo
Siqueira (Parijs)
Mauricio
Tarrab (Buenos Aires)
Pierre
Thèves (Parijs)
(vertaald
uit het Frans door Johan Schokker, met dank aan Anne Lysy-Stevens
en Luc Vander Vennet)
1.
Dossier de la Garantie EOL 1999 (Lettre Mensuelle de l'ECF nr. 130,
juni 1994)
2.
Eric Laurent, 1° Conversation de Paris, 'L'École respire mal', Oktober
1997.
3.
Woorden van S. Freud in Boedapest in 1918.
4.
J. A. Miller, La Lettre Mensuelle de l"ECF, nr. 112, September 1992.
|