CONGRES NLS
IXDE CONGRES VAN DE NLS
LONDEN, 2 & 3 APRIL 2011
HOE DE PSYCHOANALYSE WERKT
Anne Lysy
“Comment la psychanalyse opère” of “Hoe de psychoanalyse werkt”. Dat is geen ondervraging, maar een bewering. In tegenstelling tot wat sommigen dezer dagen luidruchtig tegenwerpen, werkt de psychoanalyse effectief. Blijft echter dat we daarvan rekenschap moeten afleggen.
In zijn intransitief gebruik is opérer een sterk woord. Etymologisch afkomstig van het Latijnse operari, dat ‘werken’ betekent, staan ‘opereren’ of ‘operatie’ voor een actie die een effect produceert, of ook nog “een geordende reeks akten die een transformatie tot stand brengen” (Le Robert). Of op een matter of fact wijze gezegd: de psychoanalyse verandert iets, ze bekomt resultaten. Door welke middelen en met het oog op welk doel, dat zullen we moeten aantonen.
Aan het einde van zijn onderwijs herinnerde Lacan eraan dat hij al die jaren zijn collega’s uit de praktijk onophoudelijk was blijven ondervragen “hoe het toch mogelijk was dat ze met woorden werken – ik zeg niet genezen, men geneest niet iedereen. Er zijn werkwijzen die effectief zijn en die slechts met woorden gebeuren” (1). Als uitvinder van de psychoanalyse bleef ook Freud geduldig rekenschap afleggen van de kracht van het woord, zo bijvoorbeeld in 1926, met betrekking tot de lekenanalyse, tegenover de “onpartijdige toehoorder” die verondersteld werd niets te weten van “de bijzonderheden van een analytische behandeling”. Zoals het woord gebruikt wordt in de ontmoeting van de psychoanalyticus met zijn patiënt, is het noch suggestie noch magie; het valt niet te vatten vanuit andere praktijken of bestaande vormen van weten; voor Freud is de analyse immers “een methode sui generis, iets nieuws en origineels, dat alleen met behulp van nieuwe inzichten – of hypothesen, zo men wil – kan worden begrepen” (2). Freud beschouwde de hypothese van het onbewuste en het belang van de seksualiteit in de determinering van de neurose als de twee “pijlers” van de psychoanalytische theorie, die uit de ervaring zelf waren afgeleid (3).
Laten wij nu op onze beurt rekenschap afleggen van de werking van de psychoanalyse vandaag, en ook weer vertrekkend vanuit wat de dagelijkse praktijk ons leert. We moeten niet bang zijn om dicht bij de fenomenen te blijven. Laten we ons afvragen wat in een gegeven geval gebeurd is en wat heeft gewerkt. Zodoende zullen we ondervinden dat het ‘hoe’ uit onze titel niet verwijst naar en ook niet uitmondt in een praktische gids die de te volgen procedures zou voorschrijven met het oog op voorspelbare en veralgemeenbare resultaten. Net zoals op het congres van de World Association of Psychoanalysis in 2004 zullen we opnieuw kunnen verifiëren dat de lacaniaanse praktijk wel zonder standaard is, maar daarom nog niet zonder principes.
Om ons te oriënteren willen we terugkeren naar de “fundamentele concepten van de psychoanalyse”, zoals Lacan die in 1964 bij Freud heeft uitgekozen teneinde die te hernieuwen. Het Seminarie XI is een bijzonder moment in zijn onderwijs, een breuk en een nieuw begin, waarvan Jacques-Alain Miller verschillende keren de verschillende vormen van inzet heeft verduidelijkt. In antwoord op de vraag wat de psychoanalyse als ‘praxis’ fundeert (4), en tegenover een publiek dat veel breder is dan de psychoanalytici die tot dan toe zijn onderwijs hadden gevolgd, maakt Lacan daar een serie van vier concepten: het onbewuste, de herhaling, de overdracht en de pulsie.
Opdat het onbewuste zou spreken, moet iemand ernaar luisteren, aldus Jacques-Alain Miller in Londen, tijdens de “Rally van de onmogelijke beroepen”. Een psychoanalyticus neemt afstand van de heersende hedendaagse ideologieën, die niet in het onbewuste geloven (5). Hij interesseert zich voor al wat niet klopt, mislukt, niet te bemeesteren blijkt, en waarvan Lacan de manifestatie van de waarheid van een subject maakt. Hoe kan men een onbewuste grijpen dat “zich opent en sluit”, dat zich als struikelblok en faling presenteert? Hoe biedt onze uitnodiging tot die bijzondere manier van spreken die de vrije associatie is de mogelijkheid tot verrassing? Wat is onze verantwoordelijkheid in de interpretatie?
In haar aandringen is de herhaling mislukte ontmoeting met het reële, met wat niet assimileerbaar is door de betekenaar, met wat Freud traumatisme noemde. Hoe vormen wij daarvan een support?
Dit reële speelt ook in de overdracht, in de mate dat die gedefinieerd wordt als een “in act stellen van de realiteit van het onbewuste”, die seksueel is. Welke plaats nemen we daarin in? Welke functie hebben we daarin?
De pulsie draait omheen het verloren object, het object kleine a, en wordt in dit circuit zelf bevredigd, zonder uitstaans met wat ‘goed’ is voor het subject. De analytische operatie maakt dat het subject zich kan ontdoen van de identificaties waaraan het onderworpen was en biedt dit zo de mogelijkheid om het eigen genot te erkennen. Onder welke voorwaarden is dat mogelijk?
Die basisconcepten, aldus Lacan, “kunnen ons zeker maken van onze praxis” (6). Maar er speelt ook nog iets anders. Heel het seminarie wordt doorkruist door de uitgangsvraag “Hoe moet het met het verlangen van de analyticus gesteld zijn opdat hij op een correcte manier zou werken?”. In tegenstelling tot wat er gebeurt in het wetenschappelijk discours, waarin het verlangen van de fysicus niet ondervraagd wordt, “kan het verlangen van de analyticus niet buiten onze vraag blijven” (7). Dit verlangen is de drijfveer van de psychoanalytische operatie. Lacan zal daarop in 1967 antwoorden met de formalisering van het einde van de analyse en zijn concept van de analytische act. Op de vraag wat iemand in staat kan stellen om in de analytische act te volharden, zal hij antwoorden dat de psychoanalyticus het product is van zijn analyse, die tot zijn einde doorgevoerd werd (8).
Deze vraag zal de horizon van dit Congres vormen, daar zullen we vanuit onze praktijk rekenschap afleggen van de werkzaamheid van de psychoanalyse, in haar verschillende en telkens singuliere vormen.
Anne Lysy
(1). Lacan, J. (1974). Le phénomène lacanien. Conférence à Nice (30.11.1974), Cahiers cliniques de Nice 1, juin 1998, p. 14.
(2). Freud, S. (2006 [1926e]). Het vraagstuk van de lekenanalyse. Gesprekken met een onpartijdige. Werken 9, Amsterdam, Boom, 276-346, p. 282.
(3). Freud, S. (2006 [1914d]). Over de geschiedenis van de psychoanalytische beweging. Werken 6, Amsterdam, Boom, 359-416, p. 367.
(4). Lacan, J. (1973 [1964]). Le Séminaire, Livre XI, Les quatre concepts fondamentaux de la psychanalyse. Texte établi par J.-A. Miller, Paris, Seuil, p. 11.
(5). Miller, J.-A. (2009). Closing Remarks at the Rally of the Impossible Professions, Against the False Promises of Security, London 20 Sept 2008, Hurly-Burly 1, p. 211.
(6). Lacan, J. (1973 [1964]). Le Séminaire, Livre XI, Les quatre concepts fondamentaux de la psychanalyse. Texte établi par J.-A. Miller, Paris, Seuil, p. 237.
(7). Ibid., p. 14.
(8). Lacan, J. (2001 [1967]). Proposition du 9 octobre 1967 sur le psychanalyste de l’École. Autres Écrits, Paris, Seuil, 243-259.
Beknopte Bibliografie van het NLS-Congres 2011
We verwijzen voorlopig naar de bibliografie van het theoretisch seminarie.
Plaats en Data
Londen (Engeland), 2 en 3 april 2011
Info en inschrijvingen
Verdere informatie zal verspreid worden via de website en de digitale informatielijst, of via de website van de NLS : www.amp-nls.org